Winkelmandje

Dit artikel zit al in uw winkelwagentje. Wanneer u meerdere exemplaren wilt bestellen kunt u dat doen via

Er zijn geen artikelen in het winkelmandje.

De pedagogiek van Jacobus Koelman

De pedagogiek van Jacobus Koelman

Inhoud en bronnen, grondslag en ambitie

dr. L.F. Groenendijk

Genre:Christelijk leven
ISBN:9789402904963
Druk:1e druk
Pagina's:302
Bekijk eerste pagina's
De pedagogiek van Jacobus KoelmanSluiten
Uitverkocht

Dit boek is helaas niet meer via deze site te verkrijgen.

Uw plaatselijke boekhandel kan het boek nog wel op voorraad hebben.

In winkelmandje leggen
Paperback
In winkelmandje
2-3 dagen

€ 19,95

Jacobus Koelman (1631-1695) was een van de markantste gereformeerde predikanten ten tijde van de zeventiende-eeuwse Republiek. Zijn omvangrijke en veelzijdige oeuvre bevat ook een handleiding voor de opvoeding: De pligten der ouders, in kinderen voor Godt op te voeden (1679). Koelman ijverde voor een radicale ‘nadere reformatie’ van Kerk en Republiek. Hij geloofde in de noodzakelijkheid en mogelijkheid om mensen te (her)vormen tot beoefenaars van nauwgezette vroomheid. Met het oog op de verwerkelijking van dit ambitieuze ideaal adviseerde hij opvoeders hoe zij het leven van hun kinderen van jongs af aan moesten pedagogiseren. Die inspanning zag hij als ‘ambtelijke’ arbeid in dienst van het vernieuwende werk van de Heilige Geest. In deze studie wordt uitvoerig ingegaan op die invalshoek van Koelmans pedagogiek. Tevens worden de bronnen getraceerd die Koelman heeft gebruikt bij het samenstellen van zijn boek. De pligten der ouders blijkt voor een belangrijk deel gebaseerd op het werk van Engelse puriteinen, onder wie Richard Baxter (1615-1691).

Recensies

De pedagogiek van Jacobus Koelman

Criterium | februari 2018

De emeritus hoogleraar dr. L.F. Groenendijk is een kenner van de pedagogiek van de Nadere Reformatie. In dat kader heeft hij ook onderzoek gedaan naar het onder ons bekende De plichten der ouders van Jacobus Koelman. Het resultaat daarvan verscheen onlangs bij Labarum Academic onder de titel De pedagogiek van Jacobus Koelman.

Het onderzoek is zeldzaam grondig uitgevoerd. De literatuurlijst telt alleen al 54 pagina’s en de tekst zelf wordt in niet minder dan 885 voetnoten nog eens nader toegelicht. Het getuigt van een grote belezenheid. In het onderzoek van Groenendijk staat de vraag centraal welke bronnen Koelman gebruikt heeft bij het schrijven van zijn opvoedingstraktaat. De eind vorige eeuw teruggevonden veilingcatalogus van Koelmans boekerij was daarbij een belangrijk hulpmiddel, evenals een aantal databanken op internet. Groenendijk komt tot de conclusie dat Koelman vooral gebruik gemaakt heeft van de werken van Engelse puriteinen, waarvan Thomas White en James Janeway de belangrijkste zijn. Daarnaast leunt Koelman in zijn pedagogische adviezen nogal eens op de geschriften van Richard Baxter. Het is voor Groenendijk een van de verassingen van zijn onderzoek. In een voorwoord van een door Koelman vertaald werk van Thomas Hooker had de vertaler immers ernstig gewaarschuwd tegen de theologische opvattingen van Baxter. Blijkbaar was dit voor Koelman geen reden om geen gebruik te maken van Baxters godsdienstige opvoedkundige adviezen. Daarnaast heeft Koelman een keur van zowel buitenlandse als Nederlandse theologische werken geraadpleegd, zo toont Groenendijk aan. We komen namen tegen als Ridderus, Oomius, Borstius, Mather en Love om er maar een paar te noemen. Uitvoerig gaat Groenendijk in op de inhoud van De plichten der ouders, dat overigens in zijn originele vorm uit drie delen bestaat. Naast het op voedingstraktaat zijn er een catechismus en een twintigtal voorbeelden aan toegevoegd van jong godzalig gestorven kinderen. Ook deze heeft Groenendijk in zijn onderzoek betrokken. Het boek is met distantie geschreven. Zo komt er in de door Koelman geschreven catechismus volgens Groenendijk nogal eens ‘zware doctrinaire kost’ aan de orde. Als Koelman de ouders adviseert om met hun kinderen ook over de hel te spreken dan vormt dit ‘macabere literatuur’. Het is een woordkeus die indiceert dat Groenendijk het gedachtegoed van Koelman inhoudelijk met de nodige reserves beoordeelt. Dit neemt niet weg dat Groenendijk probeert Koelman recht te doen in het kader van zijn tijd. In zijn slotbeschouwing komt hij tot de conclusie dat Koelman geen pedagoog was met originele ideeën. Wel schreef hij een ‘uniek handboek’ en was hij voor wat het Nederlands taalgebied betreft zijn tijd vooruit met zijn op de godsdienstige vorming toegespitste pedagogiek in de vorm van praktische adviezen. Het onderzoek van Groenendijk draagt een wetenschappelijk karakter en het zal als zodanig een beperkte lezerskring aanspreken.

De pedagogiek van Jacobus Koelman

Reformatorisch Dagblad | 14 mei 2018

Hoeveel wijsheid heeft een auteur zelf en welke dingen ontleent hij aan anderen die over soortgelijke onderwerpen schreven? Deze vraag stond dr. L. F. Groenendijk voor ogen bij het doorlichten van het alom bekende werk van Jacobus Koelman, De Pligten der ouders.

Dr. Groenendijk wil in zijn studie achterhalen welke publicaties Koelman gebruikte voor dit drieluik. Hij gebruikte hiervoor de catalogus van Koelmans bibliotheek voor de veiling ervan na zijn dood, de digitale bibliografie Pietas, de digitale bibliotheek EEBO (Early English Books Online) en Google Books. Hij stelt steeds de door Koelman behandelde onderwerpen in het brede verband van de beweging van het puritanisme en de Nadere Reformatie en licht uit andere schrijvers toe wat Koelman voor ogen stond. Alleine, Baxter (die hij zijn „ideeënleverancier” noemt), Bayly, Binning, Brooks, Brown, Cowper, Goodwin, Guthry, Hooker Janeway, Perkins, Robinson, Rutherford, Vincent en White worden onder anderen genoemd, maar ook wordt er verwezen naar Calvijn, Erasmus, Brakel, Van Mastricht, Ridderus, Saldenus, De Swaef, Taffin, Teellinck, Voetius, Wittewrongel en Witsius. Het lijkt me dat Groenendijk nogal snel concludeert dat Koelman iets „in aansluiting bij” of „in navolging van” anderen schrijft. Met name van Baxter (Groenendijk noemt hem een „gereformeerde evangelical met arminiaanse trekken”) is bekend dat Koelman kritisch over hem schreef en tegen hem waarschuwde. Wie Groenendijks boek leest, komt onder de indruk van de visie van Koelman op alle aspecten van de opvoeding. Godsdienstige opvoeding hield in dat heel de opvoeding door de Godsvreze bepaald moest worden. Indrukwekkend is hoe de kinderloze Koelman kennis blijkt te hebben gehad van allerlei opvoedingssituaties en de mogelijkheden die ouders hebben om met hun kinderen te spreken. Groenendijk leidt de lezer door de drie delen van Koelmans boek. Onderwerpen die behandeld worden zijn onder andere: het zoeken van een huwelijkspartner, het niet voorkomen van zwangerschap, het niet uitbesteden van het zogen, de naamgeving, de doop en de doopgetuigen, het opstaan, bidden en danken, Bijbellezen, huisgodsdienst in het gezinsleven, de sabbatsviering, de huiscatechisatie, de zorg voor goede lectuur enzovoort, enzovoort. Morele criteria voor het kinderspel, gehoorzaamheid aan ouders en opvoeders, hun voorbeeldfunctie, zelfverloochening, invloed van vrienden en vriendinnen, kinderen niet te jong naar het buitenland laten reizen(!) beroepskeuze en nog heel veel meer komt uitvoerig aan de orde, en alles in het licht van de noodzakelijke geestelijke vernieuwing van de kinderen. Ze hebben de zonden geërfd van hun ouders. Wat moeten deze zich dan inspannen om genezing bij de heelmeester Jezus Christus te zoeken! Groenendijk spreekt over „pneumatologische instrumentalisatie” (opvoeders mogen instrumenten zijn voor de Heilige Geest) en schroomt overigens ook verder het gebruik van moeilijke woorden niet. De auteur heeft zich ingespannen om vanuit zijn grote kennis van pedagogische geschriften uit de zeventiende eeuw Koelmans opvoedingsboekje tegen het licht te houden. Hij heeft de vele gegevens die hij in de loop der jaren beroepshalve verzamelde nu in boekvorm uitgegeven. In een bijzonder gedetailleerde uitgave krijgt de lezer een indruk van zijn encyclopedische geleerdheid over het onderwerp dat in de titel juist wordt weergegeven: ”De pedagogiek van Jacobus Koelman”. Hij weet op boeiende wijze ook andere auteurs te citeren en toont daarbij een grote kennis van hun publicaties. Wel blijkt dat verschillende vroegere publicaties ineengeschoven zijn, met name door herhalingen, maar met een verwijzing naar Filippenzen 3:1 wijst hij in zijn naschrift op het nut daarvan. Groenendijks boek geeft heel veel studiestof en ik denk dat het op de boekenlijst van aankomende leerkrachten thuishoort en dan wel met een groot aantal studiepunten. Maar laat ze Koelmans eigen werk er wel bij nemen. Al is Groenendijk duidelijk niet congeniaal met Koelman –in een eerder artikel heeft hij dit ook al kenbaar gemaakt– toch heeft hij hier een aanvulling gegeven aan de literatuur over Koelman, waar niemand die deze voorman van de Nadere Reformatie bestudeert, meer omheen kan. Dit boek, met 55 bladzijden aan literatuur en 885 uitvoerige noten, overstijgt evenwel ver de reikwijdte van het denken van de meeste opvoeders, die daarom het beste Koelmans eigen werk ter hand kunnen nemen.

Bezoek ook andere websites van Erdee Media Groep

bezoek ook sluiten