Winkelmandje

Dit artikel zit al in uw winkelwagentje. Wanneer u meerdere exemplaren wilt bestellen kunt u dat doen via

Er zijn geen artikelen in het winkelmandje.

Gewetensvrijheid in het geding

Gewetensvrijheid in het geding

Het relationele geweten ondervraagd

dr. A.A. Kluveld

Genre:Christelijk leven
ISBN:9789402901474 (Paperback)
Druk:2e druk
Pagina's:350
ISBN:9789462789968 (E-book)
Druk:1e druk
Uitverkocht

Dit boek is helaas niet meer via deze site te verkrijgen.

Uw plaatselijke boekhandel kan het boek nog wel op voorraad hebben.

In winkelmandje leggen
Paperback
In winkelmandje
1 dag

€ 14,95

E-book
In winkelmandje
Direct download

€ 10,99

Dit boek verschijnt mei 2017.

Wat is gewetensvrijheid? Waarom staan burgers, niet alleen in ons land, maar ook in andere Europese landen en in de Verenigde Staten in toenemende mate tegenover elkaar en voor de rechter wanneer zij zich op hun gewetensvrijheid beroepen? De spannende vraag is of burgers op grond van hun godsdienstige opvattingen of morele overtuigingen diensten of handelingen mogen weigeren, zonder wegens discriminatie te worden veroordeeld.

De Staatkundig Gereformeerde Partij, de oudste politieke partij van Nederland, werpt zich al vanaf het begin van haar bestaan op als beschermster van de gewetensvrijheid. Waarom is de vrijheid van het geweten van belang en voor wie? In dit boek komen gewetensvragen aan de orde die het publieke debat over de gewetensvrijheid benaderen vanuit een relationele dimensie. Het geweten bevindt zich namelijk niet in een niemandsland of een geestelijk vacuüm, maar is verbonden met God, de naaste, de wereld en onszelf. Wanneer is een beroep op de vrijheid van geweten geëigend en wanneer is dit misplaatst?

Het Wetenschappelijk Instituut voor de SGP gaf de opdracht voor een politiek-historische studie naar voorgaande actuele vragen. Dit boek is daar de neerslag van.
Gelijktijdig is een studie door dr. M.J. Kater uitgevoerd naar het vraagstuk van Tolerantie.

Dr. A.A. Kluveld (1968) is historica en columniste. Momenteel is zij als universitair hoofddocent geschiedenis verbonden aan de Universiteit Maastricht. Zij publiceerde reeds vele columns, recensies en opinieartikelen in NRC Handelsblad, de Volkskrant, Trouw en Historisch Nieuwsblad. Voor het onderzoekswerk aan deze publicatie ontving zij een studiebeurs van de Guido de Brès-Stichting, het Wetenschappelijk Instituut voor de SGP.

 

Recensies

Gewetensvrijheid in het geding

Reformatorische Omroep | juni 2017

Gewetensvrijheid in het geding. ‘Centraal in die vragen staat steeds wat in dit boek wordt aangeduid als het relationele aspect van de gewetensvrijheid .(-) De consciëntie is verbonden met God, de naaste, de wereld en onszelf’(16).

’De staatkundig gereformeerde visie op gewetensvrijheid bestaat al. Zij is door Kersten uitgedragen en in de praktijk beproefd. Die visie gaat uit van een gebroken wereld waarin men alleen werkelijk houvast vindt in Gods Woord. Dit uitgangspunt wordt door geen enkele SGP’er verworpen. Laat geen enkele SGP’er erom of erdoor binnen zijn eigen partij in gewetensnood raken’(252).
Enkele vragen:
1. Moet de SGP meer doen om zich in een seculier-liberaal vertoog verstaanbaar te maken?
2. Verwijst de SGP in de politiek nog naar een kenbare Waarheid zoals die te vinden is in de Bijbel? (105).
3. Staat het een SGP’er vrij om zich theocraat te noemen? En kan hij zich tegelijk ook democraat noemen? (143).
4. Wanneer is een beroep op het geweten geëigend?(195).
5. Kan een gewetensbezwaard SGP-politius bij zijn partij terecht? ( 225)
Deze studie is goed leesbaar en leerzaam voor de beoogde groep. Van harte aanbevolen.

Gewetensvrijheid in het geding

Confessioneel | 15 juni 2017

De SGP is de politieke partij met in haar beginselprogram artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, met daarin de passage: “En hun ambt (van de overheid, HP) is niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan de heilige Kerkedienst: om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen”. Om dit artikel zagen en zien velen de SGP als een anti-democratische partij, als een Taliban-op-klompen. De partij heeft er de afgelopen jaren veel werk van gemaakt om van dit imago af te komen, en heeft daarbij ook haar opvattingen over godsdienstvrijheid gemoderniseerd.

Aanvankelijk huldigde de partij het standpunt “wel gewetensvrijheid, geen godsdienstvrijheid”: Dat wil zeggen, dat de overheid geen geloofsdwang uitoefent, in de private sfeer zijn mensen vrij in wat ze geloven. In de publieke sfeer ligt dat anders, daar mag je aan niet-christelijke religies beperkingen opleggen. Zo dacht de SGP er tot voor kort over. Dr. Amanda Kluveld bespreekt hoe de SGP ruim hartiger over gewetensvrijheid is gaan denken. In die zin dat bij gewetensvrijheid een zekere belijdenisvrijheid hoort, en dus ook een ruimte waar mensen samenkomen om hun geloof te belijden en geloofsgenoten te ontmoeten. Gewetensvrijheid loopt daarmee over in godsdienstvrijheid. Maar van gelijkwaardigheid van godsdiensten in de publieke ruimte is daarbij (nog) geen sprake. Het gevoelige punt voor de SGP is uiteraard de verhouding met de islam. Mag of moet een SGP’er voor of tegen de bouw van een moskee stemmen? De lijn van de partij is thans om voor te stemmen, maar in een stemverklaring te stellen dat dc islam zich keert tegen de bijbelse boodschap, en dat de SGP moeite heeft met de verbreiding van de islam. Dit is een wel uiterst milde invulling van artikel 36. En er blijft toch een spanning tussen de strekking van dit geloofsartikel en dc politiek-bestuurlijke praktijk in een multiculturele samenleving. Ten opzichte van het verleden is dc spanning verschoven. Zij bestond in het begrjppenpaar gewetensvrijheid-godsdienstvrijheid, en is geworden godsdienstvrijheid-godsdienstgelijkheid. Kluveld schrijft dat deze spanning misschien nog gecompliceerder is dan de oude. Ging het eerst alleen om een interpretatie van artikel 36, nu gaat het daarbij om een praktische verhouding tot de Grondwet en om communicatie met de wereld buiten de partij. Deze problematiek bespreekt Kluveld in haar publicatie over gewetensvrijheid. Want het geweten speelt hierbij nog steeds een fundamentele rol. En daarbij is nadenken over gewetensvrijheid in de bredere context van ontwikkelingen in de samenleving bepaald niet een overbodige zaak. Onze Grondwet beschermt niet expliciet gewetensvrijheid, dat doen internationale verdragen overigens wel. Voor orthodoxe christenen is vrijheid van geweten en de erkenning van gewetensbezwaren actueel geworden, en zoals Kluveld betoogt, zou het nog aan belang en urgentie kunnen winnen. Kluveld maakt duidelijk dat het relationele aspect van gewetensvrijheid van essentiële betekenis is. Het geweten en zijn vrijheid bestaan niet in een maatschappelijk of zelfs spiritueel vacuüm. Het ge weten is verbonden met God, de naaste, de wereld en onszelf. Het geweten is in de eerste plaats een theologisch en geen politiek begrip. Toch speelt het voortdurend een rol in politiek en samenleving. Politici kunnen met het geweten echter niets aanvangen, terwijl het in juridisch opzicht eveneens lastig is, omdat iedereen zich erop beroept. Kersten die de SGP heeft op gericht, heeft evenwel dit begrip proberen te integreren in de politieke filosofie van de SGP. Dat brengt tot op de dag van vandaag uitdagingen met zich mee. In de praktijk heeft de partij te maken met verwarring over het begrip geweten en worden verwijzingen naar de Bijbel niet herkend of begrepen. Een oud type gewetensbezwaarde burger is de dienstweigeraar in de tijd dat de opkomstplicht voor de militaire dienst van kracht was. Na de invoering van het homohuwelijk kregen we te maken met de ge wetensbezwaarde trouwambtenaar, in de volksmond de weigerambtenaar. Dit is een specifiek geval van een nieuw type gewetensconflicten: de weigering medeplichtig te zijn aan een zonde. Dit nieuwe soort gewetenszaken heeft zich tot nu toe bijna uitsluitend voorgedaan rond kwesties over de recente herdefinitie van het huwelijk. Deze hebben geleid tot een botsing van grond rechten en tot onverzoenlijke eisen van burgers ten opzichte van elkaar. Kluveld beschrijft diverse conflicten, zoals dat van fotografenechtpaar in Amerika dat weigerde een opdracht te aanvaarden voor het fotograferen van een partnerschapsceremonie van twee vrouwen. Dat ging tegen hun geloof in. Ze werden door de rechter veroordeeld tot een boete van zesduizend dollar. Deze en andere casus maken duidelijk dat het erop lijkt dat het christenen steeds vaker onmogelijk zal worden gemaakt in overeenstemming met hun geweten te handelen, en eenvoudig iets te weigeren dat in strijd is met hun persoonlijke geloofsovertuiging. Terecht vraagt Kluveld aandacht voor bezinning op deze nieuwe uitdaging aan het christelijk geloof.

Gewetensvrijheid in het geding

Kerkblad | 31 augustus 2017

In opdracht van de Guido de Brès Stichting, het wetenschappelijk bureau van de SGP, deed Amanda Kluveld een politiek-historisch onderzoek naar de kwestie van gewetensvrijheid, terwijl prof. dr. M.J. Kater gelijktijdig een zelfde soort onderzoek deed naar tolerantie. De keuze van de Guido de Brès Stichting om Kluveld een opdracht te geven om onderzoek voor haar te doen was in zeker zin opmerkelijk. Kluveld is afkomstig uit een atheïstisch milieu. Als columnist schreef deze begaafde historica tal van bijdragen in onder andere het NRC en de Volkskrant. Daarin gaf zij een eigen maar geen christelijk geluid. Toen in 2009 Bart Jan Spruyt haar interviewde in HP/De Tijd viel haar openheid naar het christelijk geloof op. Inmiddels komt zij er al enkele jaren openlijk voor uit dat zij christen wenst te zijn.

Als aanvankelijke buitenstaander heeft Kluveld zich zeer consciëntieus van haar taak gekweten. Het resultaat dat zij heeft neergelegd, laat zien dat de SGP het geld voor onderzoek niet voor niets heeft uitgegeven. Voordat zij ingaat op het vraagstuk van gewetensvrijheid, geeft Kluveld een analyse van wat onder het geweten zelf wordt verstaan. Zij laat zien dat in de rooms-katholieke theologie het geweten als de stem van God in het binnenste wordt gezien. Onder andere verwijst zij naar paus Benedictus XVI. Deze paus wees erop dat niet het minst in landen die tolerantie zeggen voor te staan de gewetensvrijheid van christenen gevaar loopt. Zo is er een zware druk op christenen om in het publieke domein tegen de stem van het geweten in te gaan. Dat is een geluid waarin protestantse christenen zich herkennen. Het verschil tussen de rooms-katholieke en klassiek protestantse en gereformeerde opvatting van het geweten is, zo laat Kluveld zien, dat in de protestantse theologie aandacht wordt gevraagd voor het feit dat ook het geweten zelf is aangetast door de zonde. De stem van het geweten moet onderworpen worden aan de stem van het Woord van God. Het is de verdienste van Kluveld dat zij aantoont hoezeer ds. Kersten, de stichter van de SGP, in zijn politieke optreden op deze wijze is opgekomen voor gewetensvrijheid. Daarbij ging het om zaken als vrouwenkiesrecht, inenten en verzekeren. Kersten hield de overheid voor dat zij van haar onderdanen niet kan en mag eisen dat zij dingen doen die naar hun diepe overtuiging tegen het Woord van God ingaan. Over gewetensvrijheid in algemene zin en welke ruimte de overheid daarbij moet bieden, heeft Kersten zich nauwelijks uitgelaten.
Kluveld merkt op dat de laatste decennia de bezinning rondom het thema van gewetensvrijheid in de kring van de SGP vooral heeft gecirkeld rond de uitleg van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De houding van de SGP was: geen geloofsdwang, maar ook geen godsdienstvrijheid. Kluveld laat zien dat de SGP de laatste jaren steeds meer is opgeschoven in de richting van acceptatie van de godsdienstvrijheid. Niet alleen geeft de SGP de laatste jaren aan dat zij tegen geloofsdwang is, maar ook dat zij aan andere overtuigingen belijdenisvrijheid en in beperkte mate expressievrijheid wil geven. Kluveld beschrijft de verandering in accenten zonder veel commentaar. Zelf waardeer ik die verandering positief. Geloofsdwang is onverenigbaar met het geestelijke karakter van het christelijke geloof. Als geloofsdwang echt wordt afgewezen is een zekere mate van belijdenisvrijheid en expressievrijheid onontkoombaar. Dat was in de negentiende eeuw trouwens ook de lijn van Groen van Prinsterer. Kluveld legt er ook de vinger bij dat in de nota Gerechtigheid verhoogt een volk het woord ‘theocratie’ niet langer wordt gebruikt, maar dat er wordt gesproken over Bijbels genormeerde politiek. Ik merk op dat het opgeven van het woord theocratie niet als een verlies behoeft te worden beschouwd. Ds. Kersten en ds. Zandt gebruikten het niet. Onder invloed van prof. dr. A.A. van Ruler ging men er in de kring van de SGP toe over. Het woord roept echter in onze tijd onnodig misverstanden op. Kluveld wijst erop dat de SGP nog altijd nadrukkelijk gelijkberechtiging van godsdiensten afwijst. Dat gebeurt met een beroep op de historische gewortelde christelijke en protestantse identiteit van Nederland. Ik zou eraan toe willen voegen dat het uiteindelijke argument de waarheid van het christelijke, gereformeerde geloof moet zijn. De positievere houding ten opzichte van godsdienstvrijheid bij de SGP heeft te maken met het feit dat men dit recht ziet als een beschermend schild tegen seculiere overheidsbemoeienis.
In de studie van Kluveld wordt duidelijk dat het klassieke grondrecht van vrijheid van godsdienst steeds meer onder druk van het allesomvattende gelijkheidsbeginsel komt te staan. Daar ligt wel de spits van het resultaat van haar onderzoek. Nu reeds wordt niet ieder beroep op godsdienstvrijheid in Nederland gehonoreerd. Toen de relatie tussen twee mensen van gelijk geslacht door de overheid als een huwelijk werd gedefinieerd en erkend, is door de regering en binnen de Tweede Kamer gesteld dat dit niet zou gaan betekenen dat ambtenaren die hiermee in gewetensbezwaren komen, gevraagd gaat worden mee te werken. Dat is een loze toezegging gebleken. Er is inmiddels een wet aangenomen die geen ruimte laat om trouwambtenaren niet te laten meewerken aan de voltrekking van een huwelijk dat zij op grond van Gods Woord niet als huwelijk kunnen zien. Kluveld wijst erop dat deze wet strijdig lijkt te zijn met artikel 3 van de Grondwet dat stelt dat elke Nederlander op gelijke voet in overheidsdienst benoembaar is. Welke ruimte is er in Nederland voor orthodoxe christenen als zij met een beroep op hun geweten dat zich gebonden weet aan Gods Woord, zaken niet willen doen of bepaalde zaken openlijk willen uitdragen en doorgeven? Kluveld laat zien dat het ideaal van de neutrale staat is dat de overheid in haar beleid niet de ene godsdienst of levensbeschouwing boven de andere bevoordeelt. Wat wij nu zien is dat onder de noemer van neutraliteit een beroep op christelijke overtuigingen in het publieke domein wordt afgedaan met de opmerking dat men zich daarmee buiten de discussie stelt. Terwijl de scheiding van kerk en staat bedoeld was om tolerantie te bevorderen, wordt het nu een argument voor intolerantie ten opzichte van christenen. Gewetensvrijheid, zo merkt Kluveld op, heeft voor een samenleving altijd een problematische kant. Het betekent namelijk dat een minderheid de normen en waarden van de meerderheid, vastgelegd in de wetgeving op bepaald gebied, niet deelt. Dat is voor die meerderheid altijd op de een of andere manier wat pijnlijk. Staat de samenleving gewetensvrijheid niet toe, dan dwingt zij onderdanen of tot ongehoorzaamheid of tot het handelen tegen de diepste overtuiging in. Dat laatste maakt dat de overheid haar morele geloofswaardigheid voor die onderdanen verliest, ook al conformeren zij zich.>br> De actualiteit van het onderzoek van Kluveld is niet in de laatste plaats dat zij laat zien dat in onze tijd vragen van gewetensvrijheid zich voor orthodoxe christenen toespitsen op de visie op huwelijk, seksualiteit en de verhouding van man en vrouw. Zeer belangrijk is haar constatering dat gewetensvrijheid niet alleen de vrijheid is dingen niet te hoeven doen, maar ook de vrijheid te doen wat goed is. Concreet noemt zij dat het niet alleen gaat om het recht van een christelijke school om een praktiserend homoseksuele leraar af te wijzen, maar veel meer nog om het recht uit te dragen dat het huwelijk een zaak is van man en vrouw. Als de overheid scholen dwingt tot het bevorderen van seksuele diversiteit komt de gewetensvrijheid in het geding. Welke keuze moet worden gemaakt als er geen gewetensvrijheid wordt gegeven? Kluveld noemt de mogelijkheden van conformatie, ongehoorzaamheid en opstand. Zij stelt de vraag of de eerste mogelijkheid wel een optie is, zonder die te beantwoorden. Zij wil de lezer tot nadenken aansporen. Zelf zou ik zeggen dat er zaken zijn waarbij je je onder protest kunt neerleggen. Dan denk ik aan het feit dat je anderen vrijheden geeft, die je eigenlijk niet wilt geven. Nooit kan een christen echter nalaten uit te dragen wat tot de diepste kern van het christelijke geloof en de christelijke levenswandel behoort. Dat voelt Kluveld kennelijk zelf ook zo aan. Ze roept de SGP op om, concreter dan nu het geval is, na te gaan denken over burgerlijke ongehoorzaamheid.
Kluveld brengt naar voren dat binnen de SGP nog weinig doordacht is hoe christenen voor gewetensvrijheid kunnen en mogen opkomen. In de doordenking die er tot dusver is geweest, is het vraagstuk van gewetensvrijheid vrijwel uitsluitend benaderd vanuit de relatie tussen overheid of semi-overheid en burger, maar niet tussen burgers onderling. Dan komen we bij vragen: mag een bakker een taart weigeren te bakken voor een homohuwelijk? Mag een fotograaf een fotosessie weigeren? Dan formuleren we het vanuit de overheid en de samenleving. Vanuit christelijk perspectief kan ‘mag’ in ‘moet’ worden veranderd. Kluveld roept de SGP op ontwikkelingen in het buitenland waarbij zij concreet de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk noemt, nauwlettend te volgen. Zelf denk ik nog aan de vraag: ‘Mag of moet een christelijke krant of een kerkelijk tijdschrift een advertentie weigeren waarin een aankondiging ook namens een homostel blijkt te worden gedaan? Mag zij eisen dat een van de namen wordt geschrapt?’ Voor alle duidelijkheid: ik beantwoord die vraag zonder enige terughoudendheid met ‘ja’.

Gewetensvrijheid in het geding

Reformatorisch Dagblad | 7 september 2017

Dr. A. A. Kluveld geeft in haar boek ”Gewetensvrijheid in het geding” een boeiende dwarsdoorsnede van de rol van gewetensvrijheid in de SGP vroeger en nu.

De waarde van ons geweten krjgt alom weer volop aandacht. Denk aan D66-leider Pechtold, die enkele maanden geleden betoogde dat de wens van D66 omtrent het zelfgekozen levenseinde voor zjn partj een gewetenskwestie was. Ook in allerlei beroepsgroepen wordt er opvallend veel nadruk gelegd op integriteit en de noodzaak van het geweten daarbij. Het is dan ook van groot actueel belang dat historica dr. A. A. Kluveld, met een studiebeurs van het Wetenschappeljk Instituut voor de SGP, onlangs een toegankelijke studie publiceerde: ”Gewetensvrijheid in het geding. Het relationele geweten ondervraagd”. De ondertitel geeft de inhoud van haar boek treffend weer. Kluveld –zelf niet tot de SGP-achterban behorend– geeft een boeiende dwarsdoorsnede van de rol van geweten en gewetensvrijheid in de SGP van vroeger (met name ds. Kersten) en nu. Dus ook de consciëntie van de SGP-politici zelf wordt ‘ondervraagd’, met name op het principiële dilemma van godsdienstvrijheid voor moslims. Overigens, de gewetensvrijheid in de rechtsprakitjk betreft doorgaans de vrijheid om te handelen zoals het geweten ingeeft, juist wanneer dit strijdt met de wet. We moeten het dus onderscheiden van het begrip gewetensvrijheid zoals dat binnen de SGP vanouds wordt gebruikt, nameiljk het recht om gevrijwaard te bliljven van onderzoek naar de persoonlijke geloofsovertuiging. Deze vrijheid staat binnen en buiten de SGP niet ter discussie. In het boek lopen deze begrippen soms enigszins door elkaar heen. Sprekende krekel Kluveld begint met een uitvoerige analyse van het begrip geweten. Zeer interessant is ook hoe zij het verhaal van Disneyiguur Pinokkio verwerkt, waarin het geweten wordt verbeeld door een krekel. Deze spoort Pinokkio aan om te luiten bj verleidingen of tweesprongen. Kluveld geeft de SGP en haar achterban in dit verband een cruciale, dringende boodschap: het geweten is niet alleen persoonlijk, het is ook relationeel. Het laat zich toetsen aan Gods Woord. Het is altijd bereid tot verantwoording. Het voelt de verantwoordelijkheid die we dragen tegenover onze naaste. Laat ons beroep op het geweten daarom nooit de indruk wekken van een ongrijpbaar innerljk orakel, maar laten we zo veel mogelijk uitleggen waarom we niet anders kunnen. Een getuigenis dat duidelijk maakt dat het ons niet om persoonljke expressie gaat, maar om het goede te doen – ook voor anderen. Staatkundige vrijheden zjn er immers om het goede te kunnen doen, niet voor zelfontplooiing. Gewetensvrijheid nu De hedendaagse rechtsliteratuur toont zich verlegen met gewetensvrijheid vanwege de veronderstelling dat het geweten individualistisch, oncontroleerbaar en oeverloos is. Meer of minder expliciet speelt de vrees: iedereen kan wel de gekste gewetensverplichtingen krjgen en de wet ontduiken. Dit ‘probleem’ is echter vooral theoretisch en blijkt in de praktjk niet zozeer een knelpunt te zjn. Het is wel deze gedachtegang die mede knaagt aan de steun voor blijvende bescherming van gewetensvrijheid. In juridische discussies over gewetensvrijheid moet het genoemde relationele karakter van het weten dus hoognodig ter harte worden genomen. Wanneer een beroep op het geweten niet zo ‘oeverloos’ is als het lijkt, maar een goed geweten relationeel is, bljkt angst een slechte raadgever en blijft gewetensvrijheid beschermwaardig. De rechter mag op enigerlei wjze toetsen aan oprechtheid, consistentie en verantwoordelijkheidsbesef. Van meer belang in de rechtspraktijk is de vraag of een afkeurenswaardige moraal (in de ogen van de heersende moraal) wel bescherming verdient. De christeljke ambtenaar die een uitzonderingspositie vroeg omdat hj het sluiten van homohuweljken niet met zjn geweten kan verenigen, is de deur gewezen omdat de overheid zich als uitgesproken homovriendelijk wil proileren. Nu de populariteit van het moreel relativisme geheel voorbij is, laat onze cultuur enerzijds een herwaardering zien van het geweten en van een moreel kompas, en tegeljkertijd een sterkere behoefte om de moreel geladen wetgeving (vanuit individuele autonomie) te handhaven ten koste van gewetensvrijheid. Het geweten van de SGP Ds. Kersten maakte zich veelvuldig sterk voor de gewetensvrijheid van gezinnen die niet aan inentingen, verzekering of stemplicht konden meewerken. We moeten daarbij niet vergeten dat dit streven voor hem ondergeschikt was aan het terugroepen van het land naar de Bijbelse beginselen. Voor het ”faciliteren” van het ”niet-christelijk geweten” (tegen dienstplicht bjvoorbeeld) zag de vooroorlogse SGP geen noodzaak. Kluveld omschrjft daarnaast ook beginselvastheid als een gewetensnoodzaak voor de SGP. Een van de meest aangevochten beginselen is dat van de ongeljke vrijheid voor verschillende godsdiensten en Gods ‘alleenrecht’ op gehoorzaamheid in de politiek. Dit leidt ook nu tot gewetensdilemma’s. Kluveld beschrjft uitvoerig de opstelling van de SGP-fractie van de gemeente Ede, toen daar enkele jaren geleden werd gedebatteerd over een nieuwe moskee. Overigens doet zij dat met opvallend inlevingsvermogen en respect. Kluveld waardeert ook de expliciete stellingname over godsdienstvrijheid in de bundel ”Gerechtigheid verhoogt een volk” (onder redactie van drs. J. A. Schippers, uitg. De Banier, 2016). Niet omdat daar een pasklaar antwoord in staat. Wel omdat deze de gewetensvolle worsteling onder woorden brengt en expliciet maakt in welke zin godsdienstvrjheid positief wordt gewaardeerd en in welke zin niet. Tot slot de vraag aan de SGP: Hoe gaan we om met gewetensvrijheid nu, en hoeveel ruimte krijgen ”dwalende gewetens”? Kluveld onthoudt zich van een al te expliciet advies. Ik zou ervoor willen pleiten om de grote persoonlijke waarde van het geweten te onderkennen, en om die reden ook aan bijvoorbeeld hoofddoekdragers en rituele slachters uitzonderingen op wettelijke verplichtingen in beginsel toe te staan. Niet om dwalende levensovertuigingen gelijke vrijheid te geven – het SGP-standpunt over gebedsoproepen en godslasterlijke evenementen is van een andere orde. Maar laten we wel de waarde van het menseljk geweten inzien en erkennen. De auteur is advocaat bij BVD Advocaten.

Bezoek ook andere websites van Erdee Media Groep

bezoek ook sluiten