Winkelmandje

Dit artikel zit al in uw winkelwagentje. Wanneer u meerdere exemplaren wilt bestellen kunt u dat doen via

Er zijn geen artikelen in het winkelmandje.

Goud in handen

Goud in handen

Teksten uit de christelijke traditie, gekozen door reformatorische opinievormers

dr. B.J. Spruyt

Genre:Christelijk leven
ISBN:9789402906646
Druk:1e druk
Pagina's:484
Uitverkocht

Dit boek is helaas niet meer via deze site te verkrijgen.

Uw plaatselijke boekhandel kan het boek nog wel op voorraad hebben.

In winkelmandje leggen
Gebonden
In winkelmandje
2-3 dagen

€ 29,95

In een tijd van secularisatie en kerkverlating is het een hoge roeping om het blijvend waardevolle van de christelijke traditie in herinnering te roepen, te bewaren en door te geven. We hebben goud in handen, veel meer dan we ons vaak bewust zijn.

Vanuit deze gedachte is aan zo’n dertig reformatorische opinievormers de vraag gesteld welke tekst zij belangrijk vinden om door te geven. De teksten die zij hebben gekozen zijn in dit boek verzameld en toegelicht: van Augustinus tot W. Aalders, met ‘oude’ en nieuwe schrijvers als Smijtegelt, À Brakel en Myseras, Gray, Erskine en ds. Ledeboer, O. Noordmans en A. A. van Ruler. En gedichten van Gerrit Achterberg, Willem de Mérode en Anton van Duinkerken.

Alle teksten weerspiegelen de wijsheid, waarheid en schoonheid van de christelijke traditie en kunnen een bijdrage leveren aan onze vorming tot bewuste en, in onze tijd, weerbare christenen.

Recensies

Goud in handen

Reformatorisch Dagblad | 13 juli 2018

Wat met innerlijke secularisatie bedoeld wordt is indringend aan de orde gesteld, of liever: aan het hart gelegd, in het jongste boek van prof. Herman Paul met de titel ”De slag om het hart” (2017). De directe aanleiding tot de uitgave van ”Goud in handen”, een bundel teksten uit de christelijke traditie, was evenwel de verschijning van twee artikelen een jaar eerder in het Nederlands Dagblad (september 2016). Daarin gaven twee predikanten, Kees van Ekris en Paul Visser, een scherpe en schurende analyse van de geestelijke malaise waarin kerk en cultuur zich bevinden.

Spruyt, onder wiens redactie de bundel verscheen, stelt met recht dat geen programma is opgewassen tegen deze crisis van innerlijke secularisatie, die zich wellicht als oordeel laat beleven, en die veel te diep zit dan dat een kunstgreep blijvend soelaas zou bieden Waar Spruyt echter wel heil in kon zien, was een uitgave van een boek met tekstfragmenten uit de eigen traditie. Woorden die geneeskracht in zich bergen en die richtinggevend zijn.
Wat hem voor ogen stond was een breed opgezet boek, waarin mensen van beiderlei kunne uit de volle breedte van de gereformeerde gezindte een tekst uit de geschiedenis van de kerk kozen die ze kostbaar genoeg achtten om door te geven. Ruim veertig van deze „reformatorische opinievormers”, zoals zij in de ondertitel heten, vond samensteller Spruyt bereid om dit idee te realiseren. In een knappe inleiding met de titel ”Traditie als spiegel, medicijn en wegwijzer” stelt hij de centrale vraag aan de orde of een heroriëntatie op de bronnen van de eigen traditie een bijdrage zou kunnen leveren aan de strijd tegen de innerlijke secularisatie die ook orthodoxe christenen blijkt te bevangen. Na de inleiding volgt een omvangrijke bloemlezing van oudere en jongere teksten, die tot steun kunnen zijn op het steile pad dat wij in ons tijdsgewricht hebben te gaan. Telkens is zo’n tekst voorzien van een korte inleiding waarin degene die het fragment uitkoos aangeeft waarom hij of zij juist deze tekst van belang acht. De lezer krijgt hier dus een hele bibliotheek in miniformaat in handen, met teksten uit een lange traditie, van eind vierde eeuw tot eind twintigste eeuw, van Augustinus tot Kievit. De teksten zelf zijn al even veelkleurig als de inleidingen die eraan voorafgaan. Doorgaans beperken de inleiders zich tot informatie die welkom en ter zake is, zonder zichzelf te etaleren. Sommigen gaan naar mijn inzicht deze perken hinderlijk te buiten. De inleiders vormen trouwens een bont gezelschap, zowel kerkelijk als spiritueel. Dit neemt niet weg dat zij allen het gevoelen delen dat onze traditie een vitaliteit uitstraalt die tot op de dag van vandaag kan inspireren. Het is uiteraard ondoenlijk om in deze boekbespreking meer dan veertig bijdragen echt voor het voetlicht te halen. Toch wil ik er niet een ongenoemd laten.
Het was een goede greep van de redacteur om het veelvoud aan teksten te rubriceren in een zestal hoofdstukken, waarvan het vierde een muzikaal intermezzo vormt. Ze betreffen achtereenvolgens: Komen en geloven in Christus; De verkondiging van het Evangelie; Doop en avondmaal; Reformatie, katholiciteit en het moderne leven; Voorlaatste en laatste dingen. Daaraan vooraf gaat bij wijze van opening het ontroerende gedicht ”Vitellus” van Willem de Mérode, even ontroerend ingeleid door Els Florijn. In het eerste hoofdstuk zijn rijke fragmenten geselecteerd van Augustinus, Rutherford, Fisher, Gray, Boston, R. Erskine, Edwards, J. Newton, Brakel, de Dordtse vaders, Myseras, Van der Groe, Kohlbrugge, Knap en Achterberg (het diepzinnige gedicht ”Bekering”). Opmerkelijk genoeg diende zich blijkbaar niemand aan die putte uit het overvloedige erfgoed van de hoge en late middeleeuwen, wat ik een omissie vind.
De thematiek van de Evangelieverkondiging biedt teksten van Luther (uit ”De Knechteljke wil”), van Comrie, Smytegelt en W. Kremer. Over doop en avondmaal vallen fragmenten te lezen van De Brès, Immens en Ledeboer. In het muzikale tussenspel verrast Arjen Uitbeijerse de lezer met een fraaie bijdrage over Bachs sublieme, vroege cantate ”Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit”, ook wel de Actus tragicus genoemd, inclusief de integrale tekst. In het hoofdstuk hierna, dat ”Reformatie, katholiciteit en het moderne leven” als leidraad heeft, zet Spruyt ons een kostelijk staaltje van Doornenbals pennenvruchten voor, leidt ds. P. den Ouden ons binnen in het mystieke gedicht ”Ego los” van Gezelle en maakt dr. Mackay ons deelgenoot van waarlijk augustijnse fragmenten uit het dagboek van de mij volslagen onbekende Pieter van der Meer de Walch (ik bedwing de neiging om hieruit te citeren; zo mooi!). Verder doet dr. Enny de Bruijn sober en zuiver verslag van een vroege leeservaring die zij opdeed onder de lectuur van het bekende boek ”De mantel” van Douglas, geeft Diederik van Dijk een prachtig fragment van Noordmans door en doet M. Langelaar-Verhoeks hetzelfde met gedeelten uit de aangrijpende preek ”Geloof bij de gratie Gods” van Miskotte. Erik Oevermans deelt een stuk dat Van Ruler ten voeten uit is, dr. Kunz laat het markante geluid van L. Kievit horen en dr. H. Klink leidt op een congeniale manier een fragment van zijn leermeester W. Aalders in. Het slothoofdstuk gaat over de ”Voorlaatste en laatste dingen”, met treffende bijdragen van dr. Harry Paul, Kees van der Staaij (Groen), prof. Beatrice de Graaf (Augustinus), R. J. Jansen (ds. H. Hofman). P. A. Zevenbergen (Van Lodenstein), Cora Clements (Calvjns ”Gulden boekske”), ds.W. Visscher (Calvjins ”Institutie”) en Gert Nieuwenhuis (Van Duinkerken).
Is het alles goud wat er in deze bloemlezing blinkt? In ieder geval krijgt men geen hout, hooi of stoppels aangereikt – en naast zilver ook klompjes goud. Dat goud en zilver uit de traditie is geen ornament om op te bergen, evenmin versiering om mee te pronken. Het is ook niet een in letters gegoten formule, waarvan de lectuur ons munitie in handen geeft om de crisis te lijf te gaan. Wat de traditie wél vermag, is hand- en spandiensten verlenen bij het lezen van de woorden Gods. Geen enkele crisis laat zich door lectuur bezweren, of het moest de lectio divina zjn, de meditatieve, door de Geest beademde lezing van het goddelijke Woord waarin een man als Luther vanaf zijn kloostertijd geschoold was en waaraan hij de vondst van zijn leven, van Het Leven, te danken had. Ieder die in het geboekstaafde en verkondigde Woord geborgen en gedrenkt is, die doorstaat de crisis, de mondiale crisis van angst en dreiging, de existentiële crisis van Godsverberging en geloofsaanvechting, en zelfs de laatste crisis die ons allen wacht. Dankzij die Ene, het vleesgeworden Woord, Die de crisis, het oordeel Gods, plaatsbekledend heeft gedragen.

Goud in handen

Friesch Dagblad | 4 augustus 2018

Het woord ‘reformatorisch’ kan op van alles slaan, bijvoorbeeld op álle protestanten in Nederland. Die stammen per slot van rekening af van de reformatie, de grote kerkelijke vernieuwingsbeweging uit de zestiende eeuw. Vandaag wordt de aanduiding ‘reformatorisch’ veelal gebruikt voor de achterban van de SGP en voor mensen die zich verwant voelen met het Reformatorisch Dagblad. Naar schatting kan zo’n half miljoen Nederlandse kerkgangers als reformatorisch bestempeld worden.

Als je aan mensen van buiten de reformatorische kring vraagt wat zij weten van reformatorische gelovigen - refo’s - zul je vaak horen: ze zijn ‘zwaarmoedig’ of ‘zwaar op de hand’. En inderdaad, refo’s tillenniet licht aan het leven, ook niet aan het geloofsleven. Maar wat zegt dit inhoudelijk? Wat motiveert en inspireert hen? Het boek Goud in handen schetst hiervan een mooi beeld, dat lezers kan verrassen, misschien wel vooral als zij zelf niet tot de reformatorische kring behoren.
In Goud in handen vind je teksten uit de christelijke traditie, gekozen door ‘reformatorische opinievormers’, zoals de ondertitel luidt. Maar liefst tweeënveertig van dergelijke opinievormers presenteren hier een kerntekst uit de christelijke traditie, voorafgegaan door een kort eigen commentaar. Terrorisme -deskundige Beatrice de Graaf, politicus Kees van der Staaij en VU-hoogleraar Wim van Vlastuin werkten onder anderen mee. Samensteller van dit ruim vierhonderd bladzijden tellende boek is Bart Jan Spruyt, zelf een bekende opiniemaker in refokringen en vroeger ook daarbuiten (hij was columnist voor Elsevier). Spruyt koos mensen uit de breedte van de reformatorische wereld, dus van rechts tot links, van ‘precies’ tot een beetje ‘rekkelijk’. Dat maakt het boek ook geloofwaardig; je hebt hier niet te maken met een tendentieus portret van de reformatorische wereld. Er is wel een zekere breedte: er wordt meestal geput uit duidelijk bevindelijk-gereformeerde bronnen, maar er is ook aandacht voor theologen als A.A. van Ruler, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Die laatsten staan aan de rand van het blikveld, zoveel is wel duidelijk.
Bij Van Ruler gaat het over ‘zin in het leven’ en Gods volmondige ‘ja’ tegen het aardse bestaan van de mens. De auteur die de tekst van Van Ruler aandroeg, herkent deze inzet; hij vertelt over zijn eigen leven: ‘Een onrust in het hart werd geboren, en de stem laat zich alleen maar omschrijven met de woorden: ik heb er kennelijk te-zijn.’ Raak gezegd, maar je verbaast je ook een beetje over het barokke taalregister dat hier, en soms ook elders in het boek, gehanteerd wordt. Kennelijk hoort dit bij de reformatorische taalcultuur, zoals ook deze zinnen: ‘Mijn hart verlangde wel naar God, maar mijn ogen zochten bevindingen en gestalten in mij.’ Deze zin is overigens afkomstig uit een inleiding op een preek van K.H. Miskotte, waarin deze schrijft over het verlies van geloof, wat hij typeert als leegte en bevrijding ineen. Het hart van de zaak ligt voor vrijwel alle reformatorische opinievormers om de verhouding tussen de heilige God en de onheilige mens, om het leven voor Gods aangezicht en om de innerlijke gerichtheid op God. Het reformatorische geloof is een geloof dat bijna voortdurend onder hoogspanning staat. Het is niet zomaar koek en ei met onze Schepper. Gods goedheid en grootheid maken juist de schamelheid van de mens duidelijk, waarbij grote woorden niet geschuwd worden: zonde, schuld, verdorvenheid. Het heeft geen zin om over liefde, vrede en vreugde te praten als de realiteit van onze situatie niet onder ogen wordt gezien. Dat geldt ook voor het luisteren naar stemmen vanuit de traditie, zoals gebeurt in dit boek: ‘Stemmen die wij niet mogen vergeten, zijn de stemmen die wij het liefst willen vergeten.’ Die stemmen gaan overigens niet vaak over ‘aardse’ thema’s. Of we ook schuld tegenover de Eeuwige op ons laden door het milieu te vergeten of door de vragen rond rijkdom en armoede te negeren, komt hier nauwelijks aan bod. Maar die stap is misschien toch wel snel gezet, door de refo’s die hier acte de présence geven. Want het is allemaal zeer persoonlijk, en de bereidheid om kritisch naar zichzelf te kijken, is hier een deugd. Vanuit reformatorische kring zijn geregeld sterke maatschappelijke initiatieven ontwikkeld met het oog op gemarginaliseerde groepen in de samenleving, zoals asielzoekers en zwervers. Dus het verwijt van een overmaat aan ‘hemelzucht’ zou niet terecht zijn, maar je zou de refo’s toewensen wat meer in concrete maatschappelijke termen te durven denken als het gaat om goddelijke heil in het hier en nu.
Uit Goud in handen wordt duidelijk dat men in de reformatorische wereld op een eigenzinnige, maar legitieme manier voortborduurt op het christendom der eeuwen. Althans, je zult met goede argumenten moeten komen om dit te weerleggen. Want de tweeënveertig refo’s die hier aan het woord komen, weten heel goed uit welke bronnen ze putten, zowel historisch als theologisch. Ze zijn goed thuis in de geloofstraditie, hoewel hun aandacht daarin wel heel specifiek is en dus zijn beperkingen heeft. Wat vooral treft: ze geven hoog op van wie God is voor een mens die met lege handen staat en zich bewust is van zijn feilbaarheid en kwetsbaarheid. Kortom, de tweeënveertig refo’s die Bart Jan Spruyt verzamelde, verdienen goede lezers.

Bezoek ook andere websites van Erdee Media Groep

bezoek ook sluiten