Winkelmandje

Dit artikel zit al in uw winkelwagentje. Wanneer u meerdere exemplaren wilt bestellen kunt u dat doen via

Er zijn geen artikelen in het winkelmandje.

Orgelcultuur in de Biblebelt

Orgelcultuur in de Biblebelt

Reformatorische muziekbeoefening in heden en verleden

dr. Fred van Lieburg (red.)

Genre:Overig
ISBN:9789402902785
Druk:1e druk
Pagina's:272
Uitverkocht

Dit boek is helaas niet meer via deze site te verkrijgen.

Uw plaatselijke boekhandel kan het boek nog wel op voorraad hebben.

In winkelmandje leggen
Paperback
In winkelmandje
2-3 dagen

€ 14,95

Nederland is rijk aan orgels en vanzelf ook aan organisten. Toch lijkt er sprake te zijn van een versmalling van de orgelcultuur tot de rechterflank van het protestantisme. Veel orgels uit de hoogtijdagen van rooms-katholieke, hervormde en gereformeerde kerkbouw worden bedreigd en voor velen valt het orgel als muziekinstrument te zeer in een religieuze sfeer om er actief mee aan de slag te gaan. Alleen in reformatorische kringen worden  nog nieuwe orgels gebouwd, nemen jongeren orgelles en trekken orgelconcerten volle kerken. Of dit allemaal precies klopt of niet, de orgelcultuur in de Biblebelt is een fenomeen dat nadere bestudering verdient. In deze bundel werpen deskundigen uit verschillende disciplines – geschiedenis, sociologie, musicologie, filosofie en theologie – licht op aspecten van de orthodox-protestantse muziekbeoefening in Nederland.

De bundel bevat bijdragen van Hans Fidom, Koos-jan de Jager, Jaco van der Knijff, Fred van Lieburg, Wim van Lieburg, Anneke Pons, Oane Reitsma, Henk Vermeulen, Wim Visser en Maarten Wisse. 

Orgelcultuur in de Biblebelt is het vierde deel in de serie ‘Biblebelt Studies’.

Recensies

Orgelcultuur in de Biblebelt

Reformatorisch Dagblad | 13 januari 2018

Als er binnen reformatorische kring over de eigen orgelwereld wordt gepubliceerd, is dat uitsluitend in de vorm van interviewbundels en populaire biografieën. Nu is er Orgelcultuur in de Biblebelt. Reformatorische muziekbeoefening in heden en verleden.

De artikelenbundel biedt vensters op orgelbouw, orgelspel en muziekcultuur, zowel in hoofdlijnen als in casestudies. Dat dat op (semi)wetenschappelijke manier gebeurt, is zeer welkom. Hoofdthema van deze bundel, het vierde deel in de serie ”Biblebelt Studies”, is volgens eindredacteur Fred van Lieburg „de niet vanzelfsprekende, eerder spanningsvolle of zelfs tegenstrijdige relatie tussen de religieuze en de (kerk)muzikale identiteit van de gereformeerde gezindte.” Zo was er de voorkeur binnen de Vereniging van Organisten der Gereformeerde Gemeenten (VOGG) voor eigentijdse orgelbouw en -ontwerpen, en de opvallende voorliefde voor de Frans-romantische orgelstijl. Aangezien de orgelcultuur buiten de eigen gezindte steeds verder afkalft, ziet Van Lieburg graag dat organisten elkaar zo goed mogelijk kennen en begrijpen, om zo de kwaliteit van de orgelcultuur toekomstbestendig te houden. Man en paard Frits Elshout, directeur van Flentrop Orgelbouw én kenner van de eigen kring, levert met ”De ontwikkeling van de orgelbouw in de reformatorische gezindte” een vlot geschreven overzicht. Dat start bij de fabrieksmatige orgelproductie in het begin van de 20e eeuw, die gemakkelijk ingang vond in de reformatorische wereld. De VOGG speelde een hoofdrol in de geleidelijke acceptatie van de principes van de ”Orgelbeweging”. Elshout noemt man en paard: te veel dacht men vanuit de organist, te weinig vanuit de zingende gemeente. Ook belemmerde de neiging om het vooral binnen de eigen kring te houden een gezonde ontwikkeling. Elshouts afsluitende constatering: orgels en organisten moeten inspireren in plaats van imponeren. Wim Visser maakt met zijn casus over orgelbouwer Willem de Jongh inzichtelijk hoe idealen en reacties van kenners en kerkvolk zich verhielden. Dat pabo de Driestar in Gouda een rol heeft gespeeld bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden en van hun muziekcultuur is de niet al te opzienbarende opbrengst van de bijdrage van Henk Vermeulen. Kajem Koos-jan de Jager constateert een historische ontwikkeling in de muziek van de gereformeerde gezindte. Hij beschrijft drie kwesties als bewijs: Feike Asma die rond 1970 de zanger D. C. Lewis begeleidt in ”Mijn gebed”, Martin Mans die in 2016 hetzelfde doet met zijn zoon Jos, en daartussenin Klaas Jan Mulder die in 1985 opzien baart met Kajem. Helaas vindt De Jager het buiten de focus van zijn artikel vallen om in te gaan op de bijdragen van onder anderen Pieter Heykoop en Martin Mans aan de ontwikkeling van de refo-orgelcultuur. Vervolgens besteedt hij toch een aantal bladzijden aan Mans, die volgens hem aanzienlijk is opgeschoven qua repertoire: van traditioneel-gewijd naar (ook volop) relipop en gospel. Belangrijkste conclusie: Mans levert aanzienlijk minder discussie op dan Asma en Mulder, en daarvoor levert De Jager een aantal goede verklaringen. Jammer dat het enorme verschil in soortelijk muzikaal gewicht van het drietal ongenoemd blijft. YouTube-hits Anneke Pons levert in ”Bezield door de speelman” een „analyse van de reformatorische fancultuur.” Interessante materie! Pons is zodanig geïnspireerd door lectuur van filosofen als Duffert, Adorno en Marcuse dat ze haar conclusie meer lijkt toe te schrijven naar waarnemingen uit die bronnen dan dat ze zich baseert op veldonderzoek. Zo stelt ze dat orgelfans zich waarschijnlijk niet aan het losmaken zijn van het reformatorische gedachtegoed, maar dat de „romantische orgelcultuur” mogelijk een antwoord biedt op „zogenaamde handelingsanomie, ofwel een gebrek aan betekenisvolle middelen om zich aan het reformatorische gedachtegoed te binden.” Dat klinkt me erg vergezocht. Is fancultuur in de reformatorische gezindte niet veel eerder een gelegitimeerde tegenhanger van het sterrendom in verboden werelden als die van film, musical, popmuziek en sport? Kortom, van de seculiere entertainmentindustrie, voortkomend uit een universele en diepgevoelde behoefte aan collectieve identiteitsvorming en identificatie met ‘helden’? Als Pons actueel had willen zijn, had ze YouTube-hits als Marco den Toom en Gert van Hoef moeten bespreken. Hun valt, getuige kijkcijfers en verheerlijkende reacties, een eigentijdse idolatrie ten deel! Schrijnend Jaco van der Knijff presenteert in ”De reformatorische kerkorganist anno 2015” de 1250 reacties op de enquête die het Reformatorisch Dagblad uitzette onder kerkorganisten, waarbij ook de Protestantse Kerk in Nederland werd betrokken. Het levert kwantitatieve gegevens op over organisten, benoemingen, vergoedingen, contacten met kerkenraden, voorbereiding en gespeelde muziek. Worp, Sanderman (”de Worp van de Biblebelt”) en W. H. Zwart blijken de onbetwiste marktleiders. Opvallende afwezig vind ik de koraalbundels van Stam, Kousemaker, Brakman, Van Laar, de bundel van 1938 en de rode bundel van het Boekencentrum. Dat 60,5 procent van de organisten isometrisch begeleidt, zal daar debet aan zijn. Men zoekt het blijkbaar meer in de ‘subjectieve’ terts en sext dan in de ‘objectieve’ kwart en kwint. Schrijnend, getuige de schrale contacten tussen voorgangers en organisten, dat de musicus sluitstuk van de begroting lijkt. Na alle cijfers dringt zich een kwalitatieve onderzoeksvraag bij mij op: binnen welke kaders spelen organisten eigenlijk ’s zondags? Niet-elitair Onder de intrigerende titel ”Had Asma verstand van muziek?” stelt Hans Fidom de vraag centraal of je verstand van muziek moet hebben om er serieus naar te kunnen luisteren. Hij antwoordt in een pittig betoog (de voetnoten vormen een substantieel aandeel) bevestigend, maar definieert ”verstand” als artistieke en niet als intellectuele kennis. En passant kritiseert Fidom de uitgangspunten van de „historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk”, omdat daar de muzikale relevantie niet de prioriteit heeft. Fidom waardeert het door Asma en W. H. Zwart ontgonnen „niet-elitaire aspect” van het ‘speelveld’ van Jan Zwart positief, dankzij een combinatie van historiciteit, exclusiviteit, religiositeit, zinnelijkheid en anti-intellectualisme. Kernwoord is ”plezier”, kernconclusie dat het de musicus is die de muziek maakt en niet de componist. Interessanter dan waardeoordelen is voor Fidom te begrijpen wat bepaalde musiceerculturen betekend hebben en nog betekenen. Zogenoemd romantisch In ”Muzikale ervaring en geloofszekerheid” speelt Oane Reitsma een ernstig spel met de begrippen ”subjectief” en ”objectief”, die hij ontleent aan het werk van de filosoof H. G. Gadamer en toepast op de bevindelijke muziekcultuur. Hij ervaart die laatste als een verknoping van opperste subjectiviteit (de hoogstpersoonlijke ervaring) en dito objectiviteit (de Waarheid, God). Reitsma stelt dat in de reformatorische eredienst de organist een buitengewoon dominante positie heeft gekregen: de muziek is volstrekt afhankelijk van zijn muzikale interpretatie. Dit is een praktijk „losgezongen van enige theologische of artistieke visie.” De voorkeur in den lande voor een „zogenoemd romantisch, goed in het gehoor liggend idioom” veronderstelt „dat kerkmuziek eerder wordt gezien als voertuig van het (inter)subjectieve antwoord van de gemeente (…) dan als de drager van het objectieve Woord van God.” Reitsma verwijt de „concertante reformatorische orgelcultuur” dat ze geen middel meer is om dichter bij God te komen, maar een cultuurmiddel dat omwille van zichzelf in stand wordt gehouden. Daarmee legt hij de algemene orgelcultuur een ouderwets-absolute, mijns inziens volstrekt onjuiste norm op die haar letterlijk nauwelijks nog speelruimte laat. Over niet-ritmisch zingen wil Reitsma geen waardeoordeel vellen, maar hij stelt wel dat het slechts functioneert als identiteitsmiddel van een groep als het louter imitatie van het verleden is. Eilanden Maarten Wisse brengt in zijn ”Theologisch slotakkoord” de orgelwereld gemakshalve terug tot twee smaken: een op emotie gerichte romantische orgelcultuur en de moderne kerkmuziek. Verderop noemt hij die laatste „het moderne atonale klankidioom van de orgelbeweging”, een musicologische uitglijder. De brug van wederzijdse herkenning zou geslagen zijn door de kerkmuzikale retrobarok, met zowel rationele structuren als gevoelige inhoud. Daar zit ongetwijfeld iets in, maar de vele onmiddellijk ontsporende ‘discussies’ op internet tonen aan dat de werelden van zeg Pieter Heykoop, Margreeth de Jong en Willem Vogel nog steeds eilanden zijn, met ertussen denkelijk en hopelijk een oneindig aantal nuanceposities. Hammond Onmiskenbaar stelt deze bundel met niet eerder vertoonde grondigheid een aantal wezen-lijke onderwerpen uit de refor- matorische (orgel)muziekwereld aan de orde. Hopelijk nemen opiniemakers en liefhebbers er in den brede kennis van, al is het proza geregeld aan de taaie kant. Er is overigens ook een interessante en soms hilarische bijvangst: ds. Kersten met zijn vurige pleidooi voor het Hammondorgel, Hessel Snoek die het orgel te vuur en te zwaard bestreed, de boeiende figuur van organist-dominee J. W. Kersten en zo meer. Met spijt stel ik vast dat een overzicht van de ontwikkelingen binnen de reformatorische orgelcultuur van de afgelopen honderd jaar ontbreekt. En waar de eindredacteur ons de bespreking van „hedendaagse helden” belooft, constateer ik een verwijlen in het ”damals” van halverwege de vorige eeuw, terwijl de actualiteit met haar diversiteit én toegenomen algemeen niveau ontbreekt. Dat laat onverlet dat deze publicatie ongetwijfeld bijdraagt aan kennis van en begrip voor de eigen reformatorische orgelcultuur.

Orgelcultuur in de Biblebelt

Kerkblad HHK

Wie geprikkeld wordt door bijvoorbeeld de vraag hoe het komt dat Frans-romantische orgelmuziek ‘aanslaat’ in protestants Nederland, doet er goed aan dit boek niet ongelezen te lazen. De vierde bundel in de reeks ‘Biblebelt Studies’, studies over cultuur, geschiedenis en betekenis van de reformatorische gezindte in Nederland, gaat in op de spannende relatie tussen de religieuze en kerkmuzikale identiteit van de gereformeerde gezindte. Het valt overigens niet mee om die specifieke groep orthodoxe protestanten in Nederland te omschrijven, getuige de diverse aanduidingen die in dit boek gebruikt worden voor ‘bevindelijk gereformeerden’. Volgens de eindredacteur, Fred van Lieburg, biedt dit boek vensters op de actieve en passieve muziekbeoefening ‘onder christenen die zich rekenen of gerekend worden tot het volksdeel dat min of meer samenvalt met de achterban van de SGP, het RD en de reformatorische scholen’ (19). In deze studie vindt er vanuit musicologisch, filosofisch en theologisch perspectief bezinning plaats op de orgelmuziek in kerkelijk Nederland. De aanleiding is een in 2014 uitgevoerde enquête onder organisten, waarvan Jaco van der Knijff in dit boek de uitkomsten presenteert en toelicht. Deze belangrijkste resultaten van deze enquete zijn tijdens een studiedag in 2015 weergegeven. Samen met andere artikelen zijn de uitgesproken lezingen op deze studiedag nu gebundeld.

De titel van het boek zou de lezer op het verkeerde been kunnen zetten: ‘Orgelcultuur in de Biblebelt’. Het gaat in dit boek over veel meer dan dat. Laat ik enkele zaken mogen aanstippen. Frits Elshout, directeur van Flentrop Orgelbouw BV, geeft een overzicht van de ontwikkeling van de orgelbouw in de reformatorische gezindte. Wim Visser, in 2013 gepromoveerd op De classis Brielle 1574-1623, behandelt in een casus leven en (orgelbouw)werk van de ‘jonge ambachtsman uit de Gereformeerde Gemeenten’, orgelbouwer Willem de Jongh. De opbloei van zijn orgelmakerij viel samen met de stijging van het niveau van het orgelspel in de gereformeerde gezindte. Het valt volgens hem niet te ontkennen dat de stevige muzikale basis die gelegd werd op De Driestar daar indirect ook aan heeft bijgedragen. De rol die voor ‘kweekschool’ De Driestar was (en is?) weggelegd in de vorming van een muzikaal geweten en het cultiveren van een muzikaal klimaat, is het onderwerp van een artikel van Henk Vermeulen, organist en studieleider van de opleiding geschiedenis van de Lerarenopleiding Voortgezet Onderwijs aan Driestar Hogeschool. Muziekdocenten als Herman C. de Leeuw hebben volgens Vermeulen niet weinig bijgedragen aan verbreding van culturele aandacht in het algemeen en emancipatie van de muziekcultuur in het bijzonder. Koos-jan de Jager, die geschiedenis studeerde, constateert en duidt een historische ontwikkeling in de muzikale cultuur van de gereformeerde gezindte tussen 1970 en 2016. Aan de hand van een drietal cases (Feike Asma, Klaas Jan Mulder en Martin Mans) concludeert hij dat afwijzende reacties op populaire orgelmuziek verminderen, dat het gebruik van instrumenten anders dan het orgel niet meer afgewezen wordt, en dat de orgel-marketing een grotere rol is gaan spelen. De Jager stelt nieuw onderzoek voor naar de waardering van populaire orgelmuziek binnen de reformatorische gezindte (134). Terecht stelt hij dat deze ontwikkeling onderdeel is van bredere historische ontwikkelingen (afnemende kritiek tegenover moderne middelen, toegenomen mobiliteit van christenen, zoektocht naar een ‘totaalbeleving, waarvoor muziek een goede expressiemogelijkheid vormt). Daarom zou het mijns inziens niet alleen nuttig, maar ook noodzakelijk zijn om deze ontwikkeling theologisch te duiden. Anneke Pons, als promovenda verbonden aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek van de KU Leuven, biedt een analyse van de reformatorische ‘fancultuur’ (genoemd worden Martin Mans, Pieter Heykoop, ‘Willemijn op Urk’). Een kenmerk van fancultuur is ‘collectieve identiteitsvorming’, ofwel: je identificeren met je idool en collectief de symbolische grenzen bewaken van een ‘fancultuur’. Pons duidt het bestaan van fanculturen binnen de gereformeerde gezindte niet als een vorm van secularisering. Persoonlijk vind ik dat zij die conclusie te snel trekt. Is de vrij geruisloze legitimatie van de ‘fancultuur’ rond personen en muziekgroepen niet ook een teken van secularisatie van ons hart? Misschien kan Herman Paul (De slag om het hart) ons op dit punt verder helpen met zijn kijk op secularisatie (secularisatie als verabsolutering van het saeculum). Pons’ alternatieve verklaring is dat de ‘fancultuur’ mogelijk een antwoord biedt op ‘handelingsanomie’ (155). Dit houdt een sociale toestand van verwarring over de toepassing van normen in het dagelijkse leven. Waar er gebrek is aan betekenisvolle middelen om je aan het reformatorische gedachtengoed te binden, kan er een zoektocht ontstaan naar houvast die leidt tot sterke identificatie met iets of iemand die dat wel biedt’ (156). Deze (terechte) sociologische duiding verbindt Pons met haar vermoeden dat er ‘in de Woordverkondiging onvoldoende aanknopingspunten zijn om sommige kerkgangers te betrekken bij het religieuze gedachtegoed’ (158). Op zijn minst mag dit vermoeden de bezinning op de verhouding tussen theologie en muziek blijvend stimuleren! Deze bundel onderstreept maar weer eens dat muziek voor veel kerkgangers (en veel jongeren!) van even groot belang is als de Woordverkondiging. Muziek vult blijkbaar een leemte in de geloofsbeleving. Het laatste artikel in deze bundel is van Maarten Wisse, hoogleraar dogmatiek aan de PThU (Amsterdam). Hij signaleert grofweg twee stromingen binnen de orgelcultuur: een romantische, affectieve variant en een moderne, rationele variant. Volgens hem is de brug tussen deze twee stromingen de barokstijl, die zowel hoofd als hart tegemoet komt. Muziek die hoofd en hart boeit, die de balans biedt tussen affectie en ratio. Geregeld dacht ik bij het lezen van dit boek: het lijkt me heel zinvol wanneer theologen en musicologen samen het gesprek zoeken en kaders bieden waarbinnen muziek een bijbels-pedagogische rol kan vervullen voor jongeren en ouderen. Er is behoefte aan! Vanuit een bepaalde verlegenheid die gezagsdragers aankleeft om aan de jongere generatie op muzikaal gebied leiding te geven is, lijkt het erop dat ieder echter goed is eigen ogen/oren. De tijd van de Richteren is op muzikaal gebied is realiteit geworden! Wie weet kan deze lezenswaardige bundeling artikelen een opstap zijn.

Bezoek ook andere websites van Erdee Media Groep

bezoek ook sluiten