"Daggeldersvolk" is opnieuw een bestseller van de meesterverteller
Joh.G. Veenhof. In deze roman beschrijft hij het leven op het
platteland aan het eind van de vorige eeuw. De hoofdpersoon,
Leen Mulder, ervaart al op jeugdige leeftijd wat het betekent om
in het zweet zijns aanschijns een karige boterham te verdienen.
Als dertienjarige moet Leen als voldaggelder meewerken in de
"rogbouw" op het land van Steven Zandhaver, de rijke boer van
Lindenhof. Temidden van de in de zonnehitte zinderende korenvelden
maken we kennis met Gomme en Stekke Kop, twee vrijgezelle
reuzen, die Leen onopvallend helpen bij het volbrengen
van zijn zware taak.
Maar niet iedereen heeft het goede met de jongen voor. Jannus
Zandhaver, erfgenaam van Lindenhof, is net zo oud als Leen en
heeft een diep gewortelde haat tegen de vele malen intelligentere
daggeldersjongen. Deze haat zal in de loop der jaren nog toenemen
en tot noodlottige gevolgen leiden. Jannus, die denkt dat voor
geld alles te koop is, ziet met afgunst aan hoe de eenvoudige
jongen, geholpen door de dorpsonderwijzer, een avondstudie volgt.
Nel, een nichtje van Jannus en één van de zes dochters van de
eveneens kapitaalkrachtige boer Bern Flasman, waardeert wat
Leen doet en is een stimulans voor hem.
In de loop der jaren ervaart Leen pijnlijk wat het betekent om
door bepaalde mensen voor minder te worden aangezien. Belangrijk
is hierbij de opstelling van Nel Flasman, die in zijn hart
een warm plekje heeft ingenomen.
Behalve de diep menselijke aspecten die Veenhof heeft weergegeven,
verwerkte de auteur een schat aan historische gegevens.
Het boeiende en eenvoudige plattelandsleven in vroeger dagen
zal velen noden tot het lezen van dit boek. Slechts een kenner als
Veenhof is in staat zo'n knap werk te schrijven.
Deze website maakt gebruik van cookies die noodzakelijk zijn voor de juiste werking van de site. Voor het meten van bezoekgegevens wordt gebruik gemaakt van geanonimiseerde analytische cookies. Meer info