Deze bundel, aangeboden aan dr. Mart-Jan Paul bij zijn afscheid als hoogleraar Oude Testament, bevat twintig artikelen die in een viertal categorieën zijn ingedeeld: Oude Testament, Nieuwe Testament, bijbelse theologie en vervolgens drie artikelen die kerk- historisch van aard zijn. Het geheel wordt afgesloten met een artikel van Herman Paul, ‘zoon van’. Een rijke variatie aan onder-werpen passeert de revue. Daarbij is ernaar gestreefd om aandacht te besteden aan de verhouding tussen de beide testamenten.
Niet elk artikel leent zich daar echter voor.Sommige opstellen hebben het karakter van een detailstudie zoals de datering en het auteurschap van Deuteronomium (Hendrik Koorevaar) of over de vraag of twee Judese koningen in Megiddo gestorven zijn of niet (Eric Peels). Andere artikelen hebben een bredere scopus. Ik noem in dit verband het artikel over de landbelofte (Koert van Bekkum), over vervangingstheologie en de joodse interpretatie van Jeremia 31 (Randall Ford) en over omgaan met buitenlanders, waarbij Oude en Nieuwe Testament met elkaar vergeleken worden (Markus Zehnder).
Er is uiteraard veel meer te noemen. Vrienden en collega’s leverden een bijdrage. Al met al is het een veelkleurige bundel. Overigens ontbreekt kritiek op het werk van Paul niet. Bijvoorbeeld in het artikel van Gijsbert van den Brink. In zijn opstel Hoe las Jezus de Schrift? (119-129) struikelde ik over zijn onderscheid tussen veronderstellen en leren. Naar aanleiding van Mattheüs 19, waar Christus over echtscheiding spreekt en daarbij opmerkt dat dit niet vanaf het begin zo geweest is, voert hij het onderscheid tussen veronderstellen en leren in. God heeft ‘van het begin af ’ de mens mannelijk en vrouwelijk gemaakt. Hier wordt volgens Van den Brink de historiciteit van Adam en Eva wel verondersteld maar niet geleerd (123). Met andere woorden: de verwijzing naar Adam en Eva is illustratief en bewijst niets. Jezus sloot zich gewoon aan bij de toen vigerende kennis. Van den Brink verduidelijkt dit aan de hand van het mosterdzaadje waarvan Jezus zegt dat het de kleinste van alle zaden is. Dat dachten de mensen toen, maar inmiddels weten we dat het niet klopt. Vergelijkenderwijs dacht Jezus dat Adam en Eva de eerste mensen waren, maar inmiddels weten wij beter. De vraag is echter of beide zaken op hetzelfde niveau liggen. Adam en Eva hebben hun plaats in de heils- geschiedenis. Dat kan niet van het mosterdzaadje gezegd worden. Dus, wat helpt dit om Mattheüs 19 beter te verstaan? Zorgt het in elkaar schuiven van openbaringskennis en ervaringskennis niet voor kortsluiting? Het zegt iets over de manier van theologiseren als beide vormen van kennis, openbaringskennis en ervaringskennis, in elkaar geschoven worden waarbij het primaat waarschijnlijk toch bij de ervaring komt te liggen. Is het erg als beide vormen van kennis even niet geharmoniseerd worden? Laat ze allebei opgroeien tot de dag van de oogst! (Matth. 13:30).
Tot slot nog iets over de lay-out van de bundel. Het is een bescheiden boekje geworden. Een iets voornamere vormgeving had meer recht gedaan aan het afscheid van prof. Paul en aan de inhoud van de artikelen.