• levering binnen 2-3 werkdagen
  • veilig betalen

Een rijke belofte

Een rijke belofte

Bij uitgeverij De Banier verscheen onder de titel 'Een rijke belofte' een keurig verzorgde
heruitgave van de uitleg van het doopformulier door de christelijke gereformeerde hoogleraar
P.J.M. de Bruin (1868-1946).

 

In de tijd dat ik de Hervormde Gemeente van Opheusden diende kreeg ik deze uitleg voor het eerst onder ogen en destijds, in overleg met een aantal collega’s, heb ik daarvan toen een paar honderd exemplaren laten vervaarden. Sinds die tijd gaf ik aan doopouders afwisselend deze brochure en een brochure van ds. G. Boer (1913-1973) over de Heilige Doop. Het verheugt mij dat De Banier deze heruitgave wilde doen.

De Bruin laat zien dat wij onze kinderen laten dopen omdat wij – als het goed is – ervan overtuigd zijn dat zij tot Gods verbond en gemeente behoren. Meer dan eens kan men in delen van de gereformeerde gezindte horen dat kinderen op het erf van het verbond zijn geboren. Tot voor enkele jaren heb ik ook zelf
meer dan eens in een preek gezegd dat wij ook kinderen dopen omdat zij op het erf/de erve van het verbond zijn geboren. In de lijn van het gebruik van het woord ‘erf’ of ‘erve’ in de Statenvertaling dacht ik dan aan het erfdeel van het verbond. Zoals de Israëlieten in het land Kanaän geboren werden op de erve van het verbond of de erve der vaderen, zo geldt dat ook voor kinderen van christenouders.

Een aantal jaren geleden kwam ik er voor het eerst achter dat er predikanten zijn die hier toch een ander referentiekader hebben dan de taal van de Statenvertaling. Men denkt dan, zo begreep ik, aan het erf van een boerderij. Als ik zelf nog een keer spreek over de erve van het verbond, licht ik direct toe wat ik daarmee bedoel. Ik zou iedereen die ervan overtuigd is dat kinderen gedoopt behoren te worden en
toch denkt dit beeld te kunnen gebruiken, ertoe op willen roepen hier nog eens ernstig over na te denken.
Immers, als kinderen niet bij de kerk, voorgesteld als boerderij, behoren maar slechts op het erf ervan zijn en zich niet in de kerk zelf bevinden, mogen zij ook het teken en zegel van de Heilige Doop niet ontvangen. Dat is immers toch ook een teken en zegel van lidmaatschap van Gods kerk. Als kinderen van
christenouders nog niet bij de kerk behoren maar zich slechts in haar directe nabijheid bevinden, geven wij het teken en zegel van de doop aan hen, aan wie dit volgens onze theologie feitelijk niet toekomt. Het boekje van ds. De Bruin geeft helder onderwijs tegen de geschetste misvatting; een misvatting die aan de doop van onze kinderen de betekenis ervan ontneemt.


In het bijzonder in de tweede helft van zijn brochure gaat hij in op de opvattingen van Abraham Kuyper
(1837-1920). Wellicht is dit deel voor sommigen wat pittig. Om dit geheel te volgen, moet men wel enige
kennis van de kerkgeschiedenis, en van de daarmee verbonden geschiedenis van de theologie,
hebben. Ik wil iedereen aanmoedigen zich die kennis eigen te maken. Kuyper meende dat je
kinderen alleen kon dopen als je vooronderstelde dat zij wedergeboren waren. Terecht leerde Kuyper dat zonder wedergeboorte de Heilige Doop ons niet tot zegen kan zijn, maar dat rechtvaardigt nog niet de zienswijze dat wij daarom maar moeten vooronderstellen dat het zaad van de wedergeboorte in de dopeling aanwezig is, omdat anders de doop een schijndoop zou zijn. Kuyper meende ook dat het zaad van de wedergeboorte jarenlang kon blijven sluimeren zonder te ontkiemen. Zo kon Kuyper  wedergeboorte enerzijds, en daadwerkelijk geloof en daadwerkelijke bekering anderzijds, van elkaar losmaken.
De Bruin laat ons zien dat de Schrift hiervoor geen grond biedt. Onder andere namen en vormen komt telkens weer in de kerk de gedachte naar voren, dat wij, omdat we gedoopt zijn wel mogen aannemen dat wij werkelijk een kind van God zijn. Als er al over persoonlijk geloof wordt gesproken, wordt gedaan
alsof geloven de meest gewone zaak van de wereld is. Dan moeten we ook zeggen dat inmiddels
meerderen in de gereformeerde gezindte veel verder gaan dan de volgelingen van Kuyper en
zeker dan Kuyper zelf.
Voor Kuyper zelf stond namelijk vast dat de vooronderstelling, dat de gedoopte al vanaf het begin van
zijn leven het zaad van de wedergeboorte bij zich droeg, alleen juist was gebleken als de dopeling in
dit leven leerde roemen in het kruis van Christus als de enige grond van zaligheid. Het was voor hem
een zwaar kruis dat een van zijn zonen meende de Zaligmaker niet nodig te hebben.
Nu wordt ook wel de zienswijze verdedigd dat we mogen weten dat elke gedoopte een levende
relatie met God heeft en alleen door ongeloof wordt deze relatie verbroken. Als men al over
tweeërlei kinderen van het verbond spreekt, is het vanuit dat gezichtspunt. Men wil er niet van weten
dat men in het verbond en toch niet van het verbond kan zijn. Door de Heilige Doop deelt men namelijk,
zo meent men, in de nieuwe schepping die een vrucht is van het werk van Christus.
De gedachte dat alle gedoopten deel hebben aan het werk van Christus gaat nog veel en veel verder
dan de opvatting van Kuyper. Wie zo denkt, kan geen plaats geven aan de boodschap van Gods
verkiezing en van de volharding der heiligen of het moet zijn dat men uitkomt bij de gedachte dat wij op
zijn minst moeten hopen dat ten slotte alle gedoopten in de zaligheid delen.
De Bruin laat zien dat wij het doopformulier moeten lezen vanuit de toezegging van de belofte en de
toe-eigening of deelachtigmaking ervan. De toezegging geldt alle gedoopten. Voor de deelachtigmaking
is een levend geloof nodig. Wie dit onderscheid miskent, stelt dat voor elke gedoopte daarom zonder reserve geldt dat God zijn of haar God is. Daarmee wordt het doopformulier en met name ook het dankgebed gelezen met een bril die vreemd is aan de oorspronkelijke betekenis van dit
formulier. Het onderscheid tussen toezegging en toe-eigening of deelachtigmaking is juist fundamenteel.
Dat geldt voor het doopformulier niet minder dan voor het avondmaalformulier.
Drie stukken zijn volgens beide formulieren nodig om de troost van het gebruik van de sacramenten te
ontvangen. Dan is zelfonderzoek nodig. Daartoe kunnen we kleine kinderen niet oproepen en over
hun zaligheid mogen wij als zij jong sterven ruim denken. Dat onderzoek is wel nodig als wij opgroeien.
Als wij ons aan onze doop vastklemmen zonder ooit als een arm zondaar tot Christus te zijn gevlucht,
klemmen we ons aan een strohalm vast.
De uitleg van De Bruin van het doopformulier, ook als waarschuwing tegen het verbondsoptimisme dat
voortvloeide uit de gedachte van de vooronderstelde wedergeboorte, laat wel zien hoe relevant deze
brochure nog altijd is. Nu hebben we te maken met vormen van verbondsoptimisme die de opvattingen
van Kuyper geheel in de schaduw stellen.
De Bruin schrijft in Een rijke belofte onder andere het volgende: ’Bij het onderwijs van de jeugd op
catechisatie en christelijke school kan dus nooit ernstig genoeg op de betekenis des doop gewezen
worden. Natuurlijk niet in verkeerde zin, om de kinderen een grond van zaligheid onder de voeten

te geven, die eenmaal blijken zal een zandgrond te zijn, maar in de zin van ons doopformulier, door hen
te wijzen op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, die reeds in de doop is afgetekend.
Want de doop tekent niet alleen af de onreinheid van onze zielen, maar ook de doding van onze oude
natuur, de noodzakelijkheid om te sterven aan onszelf en het leven en behoud te zoeken buiten
ons. Zo is dus de doop niet alleen een prediking van onze ellende, maar tevens van de weg van het
behoud. Bij al het duistere dat de doop ons aanwijst in de mens, laat zij ook een lichtpunt gloren, door te
wijzen op het zoeken van zaligheid buiten ons.’

 

Mijn diepe wens is dat het lezen van deze brochure een middel mag zijn om zicht te krijgen op de kern van de Bijbelse boodschap en daarom ook op de werkelijke betekenis van de Heilige Doop.

In overeenstemming met het getuigenis van de Schrift en de geloofsbeleving van Gods kinderen de
eeuwen door (nadrukkelijk in deze volgorde) laat De Bruin zien dat waarachtig geloof een wonder van
genade is. In het waarachtige geloof leren we erkennen dat God aan ons niets is verplicht, maar
gaan we ook pleiten op Zijn beloften die in Christus Jezus ja en amen zijn en die ons in de Heilige Doop
zijn betekend en verzegeld; beloften die God zo boven ons bidden en denken in ons leven bevestigt
en dat keer op keer. Ik wens het boekje Een rijke belofte in de handen van velen en spreek de wens uit dat zij het aandachtig lezen.

Een rijke belofte

Royalty Vrij, Ds. P.J.M. de Bruin
vanaf 999