Evenals zijn moeder was Octavius Winslow een vriend en metgezel van allen die Gods naam ootmoedig vrezen. Hij sprak bij de opening van de Metropolitan Tabernacle van Spurgeon, maar kon deze prediker niet bijvallen toen hij in een preek over doop en wedergeboorte vragen plaatste bij het feit dat ‘evangelicals’ in de Anglicaanse Kerk bleven.
Terwijl zijn moeder van anglicaan baptist werd, maakte Octavius de omgekeerde beweging. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan als baptist maar eindigde die als anglicaan. Zijn brede gezindheid was blijvend. Hij verblijdde zich over geestelijk leven, waar hij dat ook waarnam. Dat blijkt ook uit het boek Lof uit kindermonden. Bij uitgeverij De Banier verscheen daarvan voor het eerst een Nederlandse vertaling van de hand van Ruben Bolier en Carianne van Holst.
De negentiende eeuw was een tijd waarin krachtige geestelijke opwekkingen plaatsvonden. In Lof uit kindermonden vertelt Octavius Winslow ons over Elizabeth Linn en Elizabeth Aitchinson, twee meisjes die, nadat zij de zondagsschool hadden verlaten, regelmatig een Bijbelklas bezochten in Edinburgh. Op de zondagavonden werden daar hele Bijbelboeken behandeld. Het onderwijs dat zij ontvingen was Elizabeth Linn en Elizabeth Aitchinson tot eeuwige zegen. Zij stierven beiden op jonge leeftijd, maar mochten door
genade weten dat zij het eigendom waren van de Heere Jezus Christus. Er wordt niet vermeld hoe oud zij waren toen zij overleden, maar aannemend dat zij op twaalfjarige leeftijd begonnen met het volgen van de Bijbelklas en Elizabeth Linn bijna vijf jaar en Elizabeth Aitchinson ongeveer zesenhalf jaar de Bijbelklas volgde, betekent dit dat zij nog vóór hun twintigste levensjaar overleden.
In de Nederlandse vertaling is de titel Lof uit kindermonden geworden. Bij kinderen denk ik zelf eigenlijk niet aan meisjes van rond de achttien. In de titel van het Engelse origineel wordt over ‘young believers’ gesproken. Beter was geweest als ook in de vertaling van de titel de aanduiding ‘jonge gelovigen’ was voorgekomen.
Laat mijn kanttekening bij de Nederlandse titel niemand weerhouden dit werkelijk prachtige boekje ter hand te nemen. Ik raad het met name jonge mensen aan. Het boekje is een aansporing voor jonge mensen om de Heere te zoeken. In de praktische aanwijzingen die Winslow toegevoegd heeft aan de levensbeschrijving van de beide meisjes onderstreept hij het belang van Bijbelonderwijs dat erop gericht is de Heere Jezus Christus als Zaligmaker te leren kennen. Zijn aanwijzingen kunnen een-op-een voor catechetisch onderwijs worden gebruikt. Het doel daarvan mag niet zijn bekwame redetwisters of droge theologen voort te brengen maar bekeerde zondaren en geheiligde christenen.
Leerlingen van Bijbelklassen worden ook aangemoedigd hun vragen aan hun onderwijzers voor te leggen. Als Winslow dan schrijft over anonieme brieven om dat te doen, past dat in de negentiende-eeuwse cultuur; maar we hoeven die vorm niet over te nemen. Relevant blijft wel dat de vragen erop gericht moeten zijn om te weten wat het kennen van God en de toegang tot God door Christus inhoudt.
Van Elizabeth Linn wordt niet alleen haar leven beschreven, maar worden ook een aantal brieven die zij schreef, weergegeven. In een van haar brieven schreef zij: ‘Tijdens de laatste Avondmaalsbediening zat ik voor het eerst aan de tafel des Heeren. Naar ik hoop, werd ik in staat gesteld om verder te kijken dan de inzetting – naar de God van de inzettingen. Daar zag ik Hem als een verzoend Vader in Christus Jezus. O, ik wenste wel dat elke bevende ziel deze dierbare waarheid kon geloven dat God in Christus zelfs verzoend is met de vuilste van alle zondaren en vrede heeft gesloten met ons. En dat na alles wat wij gedaan hebben.’
Onder andere de bekende predikant William C. Burns, die behoorde bij de vriendenkring van de in ons land veel bekendere Robert Murray M’Cheyne, kwam het kleine groepje mensen onderwijzen uit de Bijbel. Tegen Elizabeth Aitchinson zei hij eens: ‘Rust
nooit, totdat je kunt zeggen dat Christus dierbaar voor je is.’ Dat was het moment waarop een pijl van overtuiging van zonde in haar hart werd geschoten. Het kwam op haar af hoe zij God zou kunnen ontmoeten als zij ds. Burns al geen antwoord kon geven. Door genade leerde zij rusten op het volbrachte werk van Christus en mocht zij weten aangenomen te zijn in de Geliefde.
De uitgave bevat ook een brief van ds. Burns. Daarin roept hij op om zonder een moment uitstel te vluchten tot Christus en wijst hij er zijn medezondaren, zoals hij dat schrijft, op dat als zij door het geloof de toevlucht nemen tot het offer van Immanuël, zij niet in de verdoemenis zullen komen. Aan hen die reeds iets weten van de dierbaarheid van de Heere Jezus Christus, schrijft hij: ‘Blijf bij Golgotha. Ga daar slapen en waken, of je nu aan het werk bent of vrije tijd mag hebben. En dat in leven en sterven.’
Graag zou ik nog meer citeren uit dit prachtige boekje, maar ik zou zeggen: neem en lees. Als toegift vindt de lezer dan nog een artikel van Laurens van der Tang over ds. Burns en het heiligen van de zondag dat eerder verscheen in De Wachter Sions. Die God Die in de negentiende eeuw zo krachtig heeft gewerkt, leeft nog. Laten we Hem zoeken en grote dingen van Hem verwachten.