In 1981 verscheen een kerkgeschiedenismethode van drs. C.J. Meeuse onder de titel ”Van geslacht
tot geslacht”. Het is ontstaan in de jaren daarvoor, toen hij nog godsdienstdocent in het voortgezet onderwijs was.
In 2023 promoveerde Meeuse, inmiddels emeritus predikant van de Gereformeerde Gemeenten, tot doctor in de theologie. Recent verscheen een geactualiseerde uitgave van zijn boek ”Van geslacht tot geslacht”.
De spannende vraag is: is dit een boek van de leraar of van de wetenschapper? Nu sluiten deze twee rollen elkaar niet per se uit. Bovendien moeten we een boek beoordelen op basis van het doel ervan en het beoogde publiek. Het werk wordt niet meer als kerkgeschiedenismethode gepresenteerd;
afgaande op de inhoud en op wat voor hedendaagse lezers „behapbaar” is, bestaat het beoogde publiek uit gewone gemeenteleden. Daarbij past in de eerste plaats een auteur die de rol van leraar inneemt. Dit element komt in het boek goed uit de verf. Dr. Meeuse vertelt de kerkgeschiedenis
aan de hand van „hoofdpersonen”. Deze, te beginnen met Paulus, worden aan een thema
(in dit geval: zending) verbonden en ingebed in hun tijd. Verdieping heeft plaats in zogenaamde
aantekeningen, waar begrippen uit de hoofdtekst besproken worden. Aan het einde is een leesstuk van een besproken auteur opgenomen, jammer genoeg zonder vragen en soms in oude spelling. Ook is het jammer dat sommige moeilijke woorden zoals muzelmannen, pantheïsme en theocratisch ideaal niet uitgelegd worden. Positief is echter het feit dat dr. Meeuse verschillen, zoals tussen
infra- en supralapsarisme en tussen denominaties in de gereformeerde gezindte, niet wil uitvergroten.
Schaduwkanten
In de tweede plaats dient een schrijver van een kerkgeschiedenis voor gewone gemeenteleden
mijns inziens niet alleen de rol van leraar, maar ook die van wetenschapper in te nemen.
In hoeverre is dr. Meeuse daarin geslaagd?
Enerzijds wel, omdat hij de hoofdpersonen op evenredige wijze verdeeld heeft over de verschillende perioden van de kerkgeschiedenis. Wel neemt vanaf de behandeling van de negentiende eeuw het aandeel Nederlandse kerkgeschiedenis toe (Ottho Gerhard Heldring, Hendrik de Cock, Abraham Kuyper, de gereformeerde gezindte), maar dat mag: op feze manier wordt de geschiedenis van de
kerk dicht bij de beoogde lezer gebracht.
Verder vind ik het sterk dat dr. Meeuse niet alleen de lichtzijden van de kerkgeschiedenis benoemt, maar ook de schaduwkanten. Zo schrijft hij over de vroegchristelijke concilies: „Men zou soms geneigd zijn om te zeggen dat de Heilige Geest de kerk bij de ware leer bewaard heeft ondanks de concilies.” Ook de onderlinge ruzies van de afgescheidenen laat hij niet onvermeld.
Anderzijds had de benadering van dr. Meeuse wat mij betreft soms wat wetenschappelijker
gemogen. Hoewel hij in sommige gevallen echt recht wil doen aan de intenties van personen uit de kerkgeschiedenis, zoals deelnemers aan de kruistochten en Karl Barth, vind ik Meeuses evaluatie van de leer van de hernhutters en van Kohlbrugge wat kort door de bocht. Hadden zij ook niet een terecht punt in hun bezwaren tegen respectievelijk de Nadere Reformatie en het Reveil?
Bovendien geeft de auteur soms wel de achtergrond en implicaties van bepaalde opvattingen, bijvoorbeeld die van Arius, aan, maar niet in alle opzichten: waarom en op welke punten overschatten Arius en de Jehova’s Getuigen bijvoorbeeld het denken?
Nederlandse Hervormde Kerk
Verder heeft dr. Meeuse wel oog voor de standplaatsgebondenheid van de auteur (bijvoorbeeld
als het gaat om Abraham Kuyper), maar soms is het standpunt dat hij inneemt, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag wat de voortzetting is van de Nederlandse Hervormde Kerk, wat kort door de bocht. Overigens geeft hij op andere plaatsen wel een onderbouwing van zijn standpunt, bijvoorbeeld
ten aanzien van de Wereldraad van Kerken.
Kortom, ik had in dit boek graag iets meer van de wetenschapper dr. Meeuse gezien. Tegelijk:
hij heeft ons een grote dienst bewezen door de kerkgeschiedenis op een aantrekkelijke manier voor gewone gemeenteleden toegankelijk te maken.