Enkele jaren geleden (in 2023) trok een verklaring de aandacht die op bovenstaande vragen van harte ja antwoordt (te vinden op www.platform-romereformatie.nl).
Maar liefst 21 theologen hadden hun naam hieraan verbonden. Zowel roomse (bijv. bisschop Gerard de Korte en Marcel Sarot) als protestantse (PKN’ers als Bram van de Beek, Gijsbert van den Brink en Arjan Plaisier, NGK’ers als Ad de Bruijne, Hans Burger en Almatine Leene, maar ook de CGK’er
Arnold Huijgen). In die verklaring bepleiten ze een verenigde kerk van ‘eenheid in verscheidenheid’ en ‘verzoende tegenstelling’.
Onderzocht zou moeten worden of dit zou kunnen door middel van: (…) erkenning van de legitieme betekenis van de paus als herder van de herders en van het sacrament van de eucharistie
van de kant van protestantse kerken en erkenning van de legitieme betekenis van de ‘protestantse’ ambten en van het heilig avondmaal van de kant van Rome als stappen naar deze vereniging.
Maar het grote breekpunt uit de 16e eeuw over de rechtvaardiging door het geloof dan? Nu, volgens de verklaring bestaat dat breekpunt helemaal niet meer sinds een gemeenschappelijke
verklaring in 1999 van de Lutherse Wereldfederatie en de Rooms-Katholieke Kerk.
In 2025 verscheen een boek van een van de ondertekenaars (A.J. Plaisier) dat je een brede uitwerking en onderbouwing zou kunnen noemen van deze verklaring. De titel en ondertitel
spreken voor zich: Een tijd om te helen. Naar een zichtbare eenheid van Rome en Reformatie (uitg. KokBoekencentrum, Utrecht). Het is een informatief boek dat de lezer kundig bijpraat over de ontwikkelingen en veranderingen aan beide kanten van de kerkelijke scheur in de afgelopen vijfhonderd jaar. Niemand kan ook doen alsof theologisch gezien de posities onveranderd zijn en precies zo liggen als toen de breuk zich voltrok. De steeds weer benadrukte boodschap van
Plaisier is dat we in feite met twee, even legitieme, traditiestromen te maken hebben die beide hun recht en plaats moeten kunnen krijgen binnen het ene lichaam van Christus. Geen enkel verschil rechtvaardigt volgens hem het kerkelijk gescheiden optrekken. Als het bijvoorbeeld gaat over de grote
controverse met betrekking tot de verhouding Woord en sacrament schrijft Plaisier over “twee traditiesporen waarin de Geest werkzaam is en waardoor Christus zelf zich present stelt in deze wereld” (106). Zijn hoofdstuk over de positie van Maria sluit hij af met de toch minstens verrassende zinnen: Waarom zou deze Maria alleen voor rooms-katholieken bidden? Hoe dan ook, Zij roept ons haar te volgen op de weg van Christus. En wij, wij volgen haar, katholieken en
protestanten, tot we niet meer goed weten wie wie is. Zou de hemelkoningin daar niet over juichen? (171).
In 2025 verscheen nog een boek over de verhouding rooms-katholiek en protestant. Al het bovenstaande is eigenlijk alleen bedoeld als inleiding op de wat bredere aandacht die ik voor dit boek wil vragen. Het is van de hand van dr. H. Brons (Ger. Gem.) en dr. P. de Vries (HHK). Titel en ondertitel luiden: Verder met Rome? Een protestantse blik op rooms-katholieke leer en praktijk (uitg. De Banier, Apeldoorn). Brons en De Vries laten duidelijk een ander geluid horen dan de theologen
die ik hierboven kort signaleerde. Niet dat zij ontkennen dat er heel wat veranderd is binnen de Rooms-Katholieke Kerk en dat zeker de vroeger zo geharnaste toon tegenover de kerken
van de Reformatie goeddeels verdwenen is – in ieder geval sinds het zestig jaar geleden afgesloten Tweede Vaticaanse Concilie. Maar is er ook inhoudelijk op de principiële punten die in de zestiende eeuw tot de Reformatie leidden wezenlijk wat veranderd? Het antwoord van beide auteurs op die vraag luidt ontkennend. En ze leggen daarvoor volgens mij goede argumenten op tafel. Laat ik dat op een paar punten mogen illustreren.
Een van de meest fundamentele verschillen tussen Rome en de Reformatie in de 16e eeuw is samen te vatten met een van de (in later eeuw zo geformuleerde) slagzinnen die de Reformatie typeren: Sola Scriptura. Heeft de Bijbel het beslissende en laatste woord over wat in de kerk geloofd en beleden moet worden? Of is er daarnaast nog een beslissende gezagsinstantie, namelijk de kerkelijke traditie? Het concilie van Trente zette beide naast elkaar in 1546. Brons vat Trente zo samen: “Zowel de Bijbelboeken als latere, mondelinge tradities zijn ontvangen door de apostelen uit de mond van Christus Zelf, dan wel door de apostelen en hun opvolgers, gedicteerd door de Heilige Geest” (18). Het is de kerk die onder leiding van de paus beslist over wat tot die traditie behoort en ook hoe de
Schrift dient te worden uitgelegd. In de praktijk van het roomse leven werden de kerkleden eeuwenlang weggehouden bij het zelfstandig lezen van de Bijbel. Als maar geloofd werd wat
de kerk als exclusieve hoeder van de waarheid gelooft.
Ongetwijfeld is er met het Tweede Vaticaanse Concilie heel wat veranderd. Het belang van de Bijbel voor het geloofsleven van de kerkleden zelf werd nu sterk benadrukt. In de mis moesten voortaan de schriftlezingen niet in het Latijn maar in de volkstaal plaatsvinden. Er werden dogmatische uitspraken
gedaan die het belijden van de onfeilbaarheid van de Schrift dicht leken te naderen. Toch zit er dubbelzinnigheid in een op zich mooie formulering als: “dat de boeken van de Schrift met zekerheid, trouw en zonder dwaling de waarheid leren, die God omwille van ons heil in de heilige Boeken wilde
doen vastleggen” (citaat bij Brons op p. 20). De uitdrukking ‘omwille van ons heil’ geeft ruimte om de belijdenis van de onfeilbaarheid van de Bijbel te beperken tot de zaken die ons heil aangaan. Brons schrijft: “In de praktijk is daarmee een beperking van de onfeilbaarheid van de Bijbel tot geloofszaken
aanvaard” (20). Ik ben bang dat veel protestantse theologen die momenteel zoveel brood zien in de toenadering tot Rome, zelf op dit punt in hun schriftvisie dezelfde kant zijn opgeschoven (en dus van de reformatorische schriftvisie weg bewegen).
Bij alle – positief te waarderen! – nadruk op de unieke positie van de Bijbel als bron van waarheid is ondertussen geen afstand genomen van het normatieve gezag van de kerkelijke traditie. Brons wijst daarvoor bijvoorbeeld op sectie 82 uit de Catechismus van de Katholieke Kerk (uit 1997). Daar wordt
gesteld “dat de kerk haar zekerheid in geloofszaken niet ontleent aan de Schrift alleen. Zowel Schrift als traditie moeten worden aanvaard en geëerd met gelijke gevoelens van devotie en eerbied” (21). De Rooms-Katholieke Kerk kan ook niet anders. De Vries constateert terecht: “Want Rome hoort in
de concilies en ook in de uitspraken die de paus in zijn ambt als plaatsvervanger van Christus op aarde doet, de stem van de Heilige Geest en Die kan Zich niet vergissen” (39). Gevolg is ook dat de Roomse Kerk intern een lange en ingewikkelde geschiedenis doorloopt van creatieve herinterpretaties van eerder gedane kerkelijke uitspraken. Met als gevolg een enorme bandbreedte in wat er allemaal vanuit de gekozen interpretaties geleerd en beweerd kan worden. De Vries wijst erop dat zeker sinds het Tweede Vaticaanse Concilie de diversiteit erg groot is geworden. “Het gaat van uiterst conservatief tot heel liberaal waarbij zo niet in leer dan zeker in de ethiek er in het laatste geval een behoorlijke kloof kan zijn met de officiële standpunten van de Rooms-Katholieke Kerk” (80). Wat die officiële standpunten betreft blijft ze putten uit andere, buitenbijbelse bronnen. Belangrijke, voor Rome onopgeefbare, dogma’s als die over Maria’s onbevlekte ontvangenis of haar hemelvaart zijn ook niet op de Bijbel zelf te funderen.
Is er wat betreft de positie en het gezag van de Schrift dus sprake van positieve ontwikkelingen? Ontwikkelingen die perspectief bieden op kerkelijke heling? Wie nog altijd het reformatorische Sola Scriptura van harte bijvalt, kan niet anders dan met verdriet constateren dat de verhouding met
de Rooms-Katholieke Kerk eerder nog problematischer is geworden.
Maar hoe zit het dan met wat zonder meer hét centrale twistpunt van de 16e eeuw is geweest: de rechtvaardigingsleer? Kun je inderdaad stellen, zoals de verklaring van 2023 doet, dat sinds de verklaring uit 1999 tussen roomsen en luthersen dit feitelijk geen issue meer is? Is er inderdaad overeenstemming bereikt over de reformatorische kernbelijdenis van de rechtvaardiging
door het geloof alleen?
Nu is er inderdaad in 1999 een ‘Gezamenlijke Verklaring over de leer van de rechtvaardiging’ opgesteld die goedgekeurd is door de Pauselijke Raad voor de bevordering van de Eenheid
van de Christenen en door de Lutherse Wereldfederatie. Enkele andere kerkelijke gremia van anglicaanse, methodistische en gereformeerde signatuur zijn later gevolgd met hun instemming. Maar de instemming door de lutheranen was bepaald niet algemeen. En de, in de Roomse Kerk belangrijker, Congregatie voor de Leer van het Geloof heeft in een toelichting op de verklaring benadrukt dat nog niet alle verschillen in de rechtvaardigingsleer overbrugd zijn (43).
De Vries laat ook zien (43v.) dat de zogenaamde overeenstemming het probleem van de reformatoren helemaal niet oplost. De rechtvaardiging wordt in de verklaring namelijk op typisch roomse wijze omschreven. Waar de Reformatie een fundamenteel onderscheid maakt tussen rechtvaardiging
(als vrijspraak van zondeschuld) en heiliging (als de vernieuwing door de Geest, waardoor je tot goede werken in staat wordt gesteld), ontbreekt dat onderscheid in de verklaring.
De rechtvaardiging wordt omschreven op een manier waarbij rechtvaardiging en heiliging eigenlijk samenvallen. Dat de rechtvaardiging alleen gebaseerd is op de toerekening van de gerechtigheid van Christus aan de gelovige wordt niet verwoord. De Vries signaleert dat over die toerekening zelfs
helemaal niet gesproken wordt (44).
Bovendien wordt in de verklaring het ontvangen van rechtvaardiging niet alleen gekoppeld aan het geloof, maar ook aan de doop. Daarachter schuilt de typisch roomse opvatting van de heilsnoodzakelijkheid van de sacramenten. De verklaring stelt: rechtvaardiging “vindt plaats in het ontvangen van de Heilige Geest in de doop als een inlijving in het ene lichaam”. Brons wijst erop (82) dat in paragraaf 2068 van de al genoemde Catechismus gewezen wordt op de aansluiting van
het Tweede Vaticaanse Concilie bij het concilie van Trente. Als opvolgers van de apostelen hebben de bisschoppen volgens Christus’ zendingsbevel “aan alle schepselen het Evangelie te verkondigen, opdat alle mensen, door het geloof, het Doopsel en het onderhouden van de geboden, de zaligheid zouden verwerven” (cursief van mij, PLS).
Ik heb op deze manier op nog maar enkele kernen geattendeerd uit veel uitvoeriger betogen waarin Brons en De Vries volgens mij duidelijk aantonen dat er van echte overeenstemming in de rechtvaardigingsleer helaas nog lang geen sprake is.
De Vries signaleert ook dat er opmerkelijke ontwikkelingen zijn binnen de Rooms-Katholieke Kerk die de kloof zelfs eerder groter maker dan kleiner. De leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen wordt ook ondermijnd doordat de mogelijkheid wordt opengehouden dat er redding van een
mens mogelijk is buiten het geloof om. De Vries vertelt over het antwoord dat paus Franciscus eens gaf op de vraag of er vergeving van zonden mogelijk is van iemand ‘die niet gelooft en het geloof niet zoekt’. Ja, was het antwoord, de vraag is namelijk voor iemand die niet gelooft, ‘of hij zijn eigen geweten gehoorzaamt’ (41). Dat antwoord sluit aan bij het onderwijs van de Catechismusvan de Katholieke Kerk, waar de mogelijkheid beleden wordt om buiten het geloof in Christus zalig te worden: voor gelovige joden die Christus niet belijden, voor moslims die de Schepper erkennen, en voor aanhangers van andere godsdiensten.
Want wat daarin aan goeds en waarheid te vinden beschouwt de kerk “als een voorbereiding op het Evangelie en als een geschenk van Hem die ieder mens verlicht, opdat hij uiteindelijk het leven heeft” (zie voor citaten p. 74v.). De Vries wijst erop hoe in de 20e eeuw roomse theologen ook invloed
hebben ondergaan van ontwikkelingen binnen de protestantse theologie (m.n. Karl Barth) die tenderen naar alverzoening. De rechtvaardiging wordt in de verklaring op typisch roomse wijze
omschreven. Er zijn opmerkelijke ontwikkelingen binnen de Rooms-Katholieke Kerk die de kloof zelfs
eerder groter maker dan kleiner. Belangrijk is wat De Vries schrijft (78): Ongetwijfeld is de kloof met meer liberale protestanten, die een veel optimistischer mensbeeld hebben, en veel positiever spreken over de mogelijkheden van de natuurlijke mens, kleiner geworden. Dat geldt ook voor neoorthodoxe
protestanten die in principe heel de schepping en heel de mensheid als een verzoende schepping en
verzoende mensheid zien. Protestanten die geen moeite hebben om het zaligmakende werk van Gods Geest aanwezig te zien buiten de christelijke kerk, zullen zich in veel opzichten herkennen in hoe Rome sinds het Tweede Vaticaanse concilie Gods genade belijdt. Maar dan theologiseren zulke protestantse theologen dus duidelijk niet meer in de lijn van de reformatorische belijdenissen.
Nu zal dit laatste vast niet van alle ondertekenaars van de Verklaring van 2023 gezegd kunnen worden zonder aan hun intenties onrecht te doen. Maar dan is ondertekening van zo’n verklaring toch op zijn minst wel erg naïef te noemen.
Ook aan andere kernzaken uit de controverse Rome-Reformatie geven Brons en De Vries aandacht (bijv. de sacramentsleer, de leer over genade en vrije wil, of de mariologie). Wie daar kennis van neemt, ziet het aantal kritische vraagtekens zeer snel vermeerderen bij alle pogingen om de roomse leer en de reformatorische leer tot twee, binnen Christus’ kerk even legitieme, traditiestromen te verklaren. Ook helpen beide auteurs bij het vinden van een antwoord op de vraag die rijst bij
de huidige pleidooien om kerkelijke verscheurdheid te helen: wie is nou eigenlijk principieel gaan veranderen? Daarom deze aandacht voor het boek van Brons en De Vries in deze rubriek. Het verdient veel lezers.