In deze roman beschrijft Veenhof het leven van de familie Kampman.
Zij wonen op de Ouwe Kamp, een boerderij even buiten
het dorp.
Dit verhaal speelt in de oorlogsjaren 1940-1945.
Merien, zoon van Breus en Aaltje Kampman, maakt spannende
momenten mee, als hij met andere verzetsstrijders een inval
doet in de boerderij van Aai Meerkerk, een zwarthandeiaar.
Ook maakt Merien angstige ogenblikken door, als hij tijdens de
spertijd een zak aardappels wegbrengt. Vier controleurs van de
C.C.D. hebben zich verdekt opgesteld. Als Merien merkt dat hij
gezien is, laat hij de zak aardappelen vallen en rent weg. De
controleurs zitten hem dicht op de hielen. Tijdens de achtervolging
struikelt Merien. Hij voelt een hevige pijn in zijn been en
merkt dat hij eigenlijk niet verder kan. Toch moet hij verder. Hij
wil namelijk niet dat al zijn botten gebroken zullen worden, zoals
de controleurs hem achterna schreeuwden. Merien voelt als
het ware de grijpgrage handen van zijn achtervolgers al in zijn
nek en dan...
Kortom, een boek dat u in één adem uitleest.
Deze website maakt gebruik van cookies die noodzakelijk zijn voor de juiste werking van de site. Voor het meten van bezoekgegevens wordt gebruik gemaakt van geanonimiseerde analytische cookies. Meer info