Bavinck was een zeer geleerd man, maar ook een man die zich altijd verbonden is blijven voelen met de godsvrucht van de Afscheiding. Dat blijkt meer dan eens uit zijn geschriften. Ik denk bijvoorbeeld aan De offerande des Lofs. Dit boekje schreef Bavinck voor hen die via het doen van belijdenis van het geloof toegang vragen tot het Heilig Avondmaal.
In 2023 verscheen bij uitgeverij De Banier een hertaalde versie van dit werkje van de hand van ds. T.A. Bakker die toen nog de Hersteld Hervormde Gemeente van Nieuwe Tonge diende en inmiddels verbonden is aan de gemeente van Hardinxveld-Giessendam. Deze hertaling kreeg de titel Blijmoedig belijden. Overdenkingen voor en na de toelating tot het Heilig Avondmaal. Het verheugt mij dat mijn collega er de tijd en moeite voor nam dit werkje te hertalen. Dit werkje is, naar wel zeker is, het meest verkochte werkje van Bavinck. Mede daarom is het een goede zaak dat een herdruk ervan verscheen en wel een herdruk die voor de huidige lezer toegankelijk is.
Belangrijke zaken komen in dit boekje aan de orde. Uiteraard zijn dat het verbond en de doop. Het avondmaal is immers het tweede teken en zegel van het nieuwe verbond, terwijl de doop het eerste teken is. Wie toelating vraagt tot het avondmaal, geeft daarmee aan dat hij of zij de beloften van het Evangelie heeft leren toe-eigenen en de betekenis van zijn doop heeft leren verstaan en daarbij en daaruit mag leven.
Verbond en verkiezing
Wie Bavinck kent zal het niet bevreemden dat hij verbond en verkiezing nauw op elkaar betrekt en stelt dat beide over dezelfde personen gaan. Het verbond laat ons zien hoe in de tijd de verkiezing zich realiseert en dan hebben organische verbanden een plek: de kerk, het gezin, de school. In de wijze waarop Bavinck verbond en verkiezing met elkaar verbindt, zien we dat dit niet hoeft te betekenen dat er een schaduw over het Evangelie en de beloften van het Evangelie valt. Als Middelaar van het genadeverbond en representant van al degenen die de Vader Hem heeft gegeven is Christus toch de spiegel van de verkiezing.
Zelf merk ik op dat de troostvolle relatie tussen de doop, het verbond en de verkiezing vaak onderbelicht blijft of zelfs niet wordt genoemd. Blijkbaar weet men niet zo goed raad met het feit dat de doop ook het teken en zegel is dat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.
Deze woorden zijn alleen te begrijpen als men ten volle recht doet én aan het onderscheid tussen toezegging en toe-eigening en aan het feit dat achter ons geloof het toe-eigende werk van de Heilige Geest Zelf staat. Hij ontsteekt in ons het geloof. Niet alleen Christus Zelf maar ook het geloof in Hem is een genadegave van God. En dat zijn allemaal zaken waarvan Bavinck diep overtuigd was.
Het aanvaarden of inwilligen van het verbond
Bavinck wijst erop dat het doen van belijdenis inhoudt dat men zelf het verbond aanvaardt waarin hij al vanaf zijn geboorte was opgenomen. Ik schreef de woorden ‘vanaf zijn geboorte’ welbewust cursief. Bavinck zit niet op de lijn van sacramentalistische theologen die menen dat wij pas met de doop in Gods gemeente worden opgenomen en in de nieuwe werkelijkheid van Gods koninkrijk geplaatst. Wezenlijk is voor Bavinck dat men door geloof zich de toezegging van God toe-eigent en aanvaardt. Anders is men wel in het verbond maar niet van het verbond, zo schreef hij in zijn Gereformeerde Dogmatiek. Hij gaat hier in de lijn van gereformeerde theologen die spreken over het inwilligen van het verbond. Wel meen ik dat Bavinck dit wat breder had kunnen en mogen verwoorden.
Ik onderstreep wel dat Bavinck schrijft dat het ware geloof ons rechtvaardigt en niet ons belijdenis-doen en dat aan het toegang vragen tot het avondmaal de zelfbeproeving vooraf behoort te gaan of men weet heeft van de drie stukken die nodig zijn om zalig te leven en te sterven en die ook uitdrukkelijk in het klassieke avondmaalsformulier worden genoemd.
Belijden, belijdenis en kerk
Als het gaat om het belijden van ons geloof belijden wij ook de ene, heilige, katholieke christelijke kerk. Wie het boekje van Bavinck De Katholiciteit van Christendom en kerk kent, weet hoe na deze zaak hem aan het hart lag. Hij weet dat de verdeeldheid van de kerk zonde is. Tegelijkertijd kan hij van het mooie van verscheidenheid – en daarmee ook van kerkelijke verscheidenheid – spreken.
Hier kan ik Bavinck – hoewel ik hem begrijp – toch niet helemaal volgen. Wie meent dat bij alle kerkelijke verdeeldheid die wij nu zien alleen het eigen kerkverband als openbaring van de ene heilige, katholieke kerk kan gelden, leidt zonder meer aan een wel ernstige vorm van sektarisme. Met Bavinck zeg ik dat de ene heilige, katholieke kerk zich openbaart in een veelheid van vormen en dat er een eenheid is die veel belangrijker is dan wat gelovigen van elkaar scheidt en onderling verdeelt.
Echter, ik zou expliciet ook in dit verband noemen waarom we – en dan gebruik ik de woorden van Bavincks Amerikaanse tijdgenoot B.B. Warfield – de gereformeerde belijdenis als de diepste expressie van het christelijke geloof en van de bijbelse boodschap mogen zien. Ik zou dat ook kort nader toelichten en dan blijkt ook dat kernen van de gereformeerde belijdenis wereldwijd en de eeuwen door geloofd en beleden zijn door allerlei christenen. Zeker is dat het belijden nooit zonder een belijdenis kan waarin de kern van de bijbelse boodschap wordt verwoord. Dat geeft Bavinck duidelijk aan.
Met Bavinck weet ik ook dat bij iemands dogmatische opvattingen kanttekeningen kunnen worden geplaatst, terwijl wij toch achting kunnen hebben voor iemands geestelijke leven. Bavinck kon zeggen dat elke christen in ieder geval op zijn knieën een calvinist is.
Schepping en herschepping
Bavinck roept hen die belijdenis van het geloof willen doen ertoe op zich in het gewone leven van alledag niet voor Christus te schamen, maar juist daar voor Hem uit te komen en Hem te belijden. Bavinck wijst erop dat het christelijke geloof het gehele leven omvat. Hij geeft aan dat de ene christen anders denkt over de verhouding tussen schepping en herschepping dan de ander. Zelf keert hij zich tegen hen die schepping en herschepping al te zeer uit elkaar trekken.
Duidelijk is dat Bavinck zelf overtuigd is dat het christelijk geloof zegenend in moet werken op de maatschappij, de kunst, de wetenschap enz. Ik val hem daarin op zich bij, maar ik ben wel terughoudender dan hij. Het neocalvinisme, waarvan Bavinck een van de grote vertegenwoordigers was, gaf hoog op over de cultuurtaak van de christen. Ik denk dat het neocalvinisme daarin de spankracht die een christen in deze eeuw van de Heilige Geest ontvangt, heeft overschat.
Het grote gevaar is dat de wereld de kerk binnendringt in plaats van dat de wereld voor Christus wordt gewonnen. Dat is wat wij in veel gevallen in neocalvinistische kring hebben gezien. Voor Bavinck zelf geldt dat hij naast een neocalvinist ook altijd een zoon van de Afscheiding is gebleven, met haar spiritualiteit van het vreemdelingschap van een christen op aarde. De offerande des Lofs, of zoals het in de hertaling nu heet Blijmoedig belijden, loopt dan ook uit op het uitzien naar de wederkomst van Christus. Dan zal er definitief een einde komen aan het vreemdelingschap.
Welke theologen zijn het waard te worden gelezen?
Ik wens Blijmoedig belijden in veler handen. Voor wie er nog iets naast wil lezen, wijs ik op Mag ik ten avondmaal gaan? van G. Wisse en De ware zelfbeproeving van H.F. Kohlbrugge. Graag zou ik zien dat van dit laatste boekje ook een nieuwe uitgave komt. Zelfs antiquarisch is het nauwelijks te verkrijgen. Zelf heb ik zowel van Kohlbrugge als Bavinck veel geleerd. Kohlbrugge las ik reeds als leerling van de middelbare school. Al had ik reeds eerder van Bavinck gehoord, ik ging hem pas lezen tijdens mijn studie theologie.
Bavinck is veel harmonischer dan Kohlbrugge. Dat merk je ook in de wijze waarop beide spreken over het geestelijke leven. Bij Kohlbrugge heeft de aanvechting een grotere plaats dan bij Bavinck. Zijn tekening van het geloofsleven is veel rauwer dan bij Bavinck het geval is. Dat merk je ook als je De ware zelfbeproeving en Blijmoedig belijden naast elkaar legt. Ik wens dat boekjes als deze breed worden gelezen.
Naar mijn overtuiging is Kohlbrugge als theoloog dieper, maar Bavinck breder. Zo vullen zij elkaar aan, en dan zijn dit bepaald niet de enige theologen van wie wij kunnen en mogen leren. Pas hoorde ik van een student in de theologie die voordat hij ging studeren zo goed als alleen maar C.H. Spurgeon, Robert Murray M’Cheyne en nog enkele eigentijdse stichtelijke schrijvers had gelezen. Op de universiteit was hem aangeraden ook O. Noordmans en K.H. Miskotte te gaan bestuderen.
Ik heb hem geadviseerd, voordat hij aan dat advies gehoor gaf, Calvijn (Institutie), Kohlbrugge en Bavinck (Gereformeerde Dogmatiek) te gaan lezen. Zelf las ik de vierdelige Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck als theologiestudent. Die werd destijds aan de Universiteit van Utrecht niet voorgeschreven. Ik meende dat ik met het lezen ervan mijn winst kon doen en daarin ben ik niet beschaamd.
Theologiestudenten zou ik ook aanraden zich te verdiepen in de puriteinen en de Nederlandse en Schotse theologen van de zeventiende en achttiende eeuw. Bavinck kende die van huis uit. Ik geef in dit verband een tweetal citaten van Ryle door: ‘Hoe meer ik lees, hoe minder ik moderne theologie bewonder. Hoe meer ik de producties van de nieuwe scholen van theologische onderwijzers bestudeer, hoe meer ik mij erover verwonder dat mannen en vrouwen tevreden kunnen zijn met zulke geschriften.’
En dan het tweede citaat: ‘Er liggen schatten verborgen in de bladzijden van oude godgeleerden waar de meeste Engelse christenen niets van weten – schatten van gezonde leerstellige verwoording, schatten van bevindelijk en ook de praktijk van de godzaligheid gerichte theologie.’