De schrijver Leen J. van Valen heeft gekozen voor christenen uit Schotland en Nederland, mede in het
licht van zijn lopende onderzoek van de relaties en contacten tussen het Nederlandse Reveil en de Schotse opwekkingsbeweging (Revival).
We lezen onder meer over de bekende reis van vier Schotse predikanten naar Palestina in 1839, namelijk A. Black, A. Bonar, R.M. M’Cheyne en A. Keith. Twee van hen zijn via Boedapest teruggekeerd naar Schotland. Een van de schetsen gaat over ‘Rabbi’ Duncan, die door de Schotse
Kerk uitgezonden werd als eerste zendeling onder de Joden in Hongarije. Isaäc da Costa en Abraham Capadose, beiden bekeerde Joden, hebben in Nederland onder hun volksgenoten mogen arbeiden. Zo zou er meer te noemen zijn. In de geschiedenis en tot op de dag van vandaag zijn er verschillende gedachten over hoe de Heere Zijn beloften zal vervullen. Dat komen we ook in deze schetsen tegen.
In de Epiloog gaat de schrijver in op verschillende toekomstverwachtingen door de eeuwen heen.
Het is leerzaam voor nu om kennis te nemen van wat ons hier wordt aangereikt vanuit de geschiedenis. Wat heeft de Heere in verleden tijden bij velen liefde gegeven tot het oude bondsvolk met het uitzien naar hun bekering.
Daarbij hebben ze steeds de boodschap gebracht van de ene Naam tot zaligheid en dat heeft de Heere willen zegenen!
Die liefde en dat uitzien mag er nog zijn. Ook bij u? Die boodschap mag nóg worden gebracht.
Treffffend eindigt dit boekje met een gedeelte van vraag en antwoord 191 van de Engelse Grote Catechismus van Westminster, dat gaat over de tweede bede, Uw Koninkrijk kome. ‘Wij bidden, dat het koninkrijk van de zonde en van de satan verbroken wordt, het Evangelie door de gehele wereld gepredikt wordt, dat de Joden bekeerd worden, dat de volheid der heidenen wordt ingebracht.’
Laat dat ons aller gebed zijn.